Ignatia

van John Henry ClarkeWoordenboek van de praktische Materia Medica

amara. (Strychnos ignatia? Strychnos multiflora? - De werkelijke boom waarvan de zogeheten "bonen" worden verkregen, is niet bekend.) Faba indica. Sint-Ignatiusboon. (Filippijnse Eilanden.) N. O. Loganiaceæ. Tinctuur en trituratie van de zaden.

Klinisch

Buik, opgezet / Boosheid, gevolgen van / Anus, aandoeningen van / Angst / Eetlust, gestoord / Rug / zwakte van / Katalepsie / Overgang / Chorea / Clavus / Convulsies / Kroep / Zwakte / Tanddoorbraak / Neerslachtigheid / Difterie / Dysmenorroe / Epilepsie / Flauwvallen / Angst, gevolgen van / Winderigheid; belemmerd / Klieren, vergroting van / Aambeien / Hoofdpijn / Hart, aandoeningen van / Hik / Hysterie / Hysterisch gewricht / Wisselkoorts / Locomotorische ataxie / Melancholie / Gevoelloosheid / Slokdarm / Verlamming / Phlyctenulaire oogontsteking / Proctalgie / Rectum, prolaps van / Reumatische koorts / Ischias / Gevoeligheid / Wegzinkingsgevoel / Slaap, gestoord / Spinale prikkeling / Tenesmus / Keelpijn / Kiespijn / Bevingen / Urine, afwijkend / Vagina, spasme van / Stem, verloren / Gapen

Kenmerken

Om een juist begrip te krijgen van de kracht en plaats van Ignatia is het noodzakelijk zich te ontdoen van twee veelvoorkomende verkeerde opvattingen. De eerste daarvan is dat Ign. een middel voor hysterie en niets anders is; de tweede dat het het enige middel is dat ooit nodig is in gevallen van hysterie. Een klein ongemak dat met deze opvattingen gepaard gaat, is dat patiënten erg huiverig voor het middel zijn geworden en er bezwaar tegen maken wanneer het hun wordt voorgeschreven, omdat zij denken dat hun arts hen hysterisch acht als hij het voorschrijft. De recente uitbraak van pest in het Oosten heeft opnieuw onder de aandacht gebracht dat Ign. zelfs bij die ziekte een reputatie als genezend middel heeft verworven. Honigberger vertelt dat het, toen de pest in Constantinopel woedde, gebruikelijk was dat mensen een boon aan een koord als profylacticum droegen; hij diende "minieme doses" ervan toe aan pestpatiënten met het beste succes. Later liep hij zelf in India de ziekte op en genas zichzelf met hetzelfde middel (H. W., xxxiii. 51). Bij wisselkoorts is het het enige middel dat bepaalde gevallen zal genezen. Vroeg in mijn homeopathische loopbaan verbaasde ik mijzelf eens door met Ign. (aanvankelijk voorgeschreven als tussendoorremedie) snel een ernstig geval van reumatische koorts te genezen, dat onder Bryonia, enz., geen vooruitgang had geboekt. De mentale symptomen wezen op Ign., en tegelijk verdwenen zowel de gewrichtsontsteking als de koorts onder zijn werking. De zaden van Ign. bevatten een groter aandeel strychnia dan die van Nux vomica, en de grote verschillen in de karakteristieke trekken van de twee geneesmiddelen bewijzen hoe verstandig het is geneesmiddelen los van hun zogenaamd "actieve" beginselen te beschouwen. Er zijn in planten vele werkingen naast de alkaloïden die zij kunnen bevatten, en deze zijn vaak de bepalende factoren van de specifieke werking van het geneesmiddel. Het is op het geestelijke vlak dat het merendeel van de keynote-symptomen van Ign. zich ontwikkelt. "Hoewel de positieve effecten ervan," zegt Hahnemann (M. M. P.), "een grote gelijkenis vertonen met die van Nux v. (wat men inderdaad uit de botanische verwantschap van deze twee planten zou kunnen afleiden), bestaat er toch een groot verschil in hun therapeutisch gebruik. De emotionele gesteldheid van patiënten voor wie Ign. dienstig is verschilt sterk van die van hen voor wie Nux v. nuttig is. Ign. is niet geschikt voor personen of patiënten bij wie boosheid, gretigheid of gewelddadigheid overheerst; maar voor hen die onderhevig zijn aan snelle afwisselingen van vrolijkheid en neiging tot huilen, of andere karakteristieke emotionele toestanden, mits de overige lichamelijke ziekteverschijnselen gelijken op die welke dit geneesmiddel kan voortbrengen." Guernsey schetst zo de geestestoestand van Ign.: "Iedereen die lijdt aan onderdrukt of diep verdriet, met langgerekte zuchten, veel snikken, enz.; ook veel ongelukkig zijn, niet kunnen slapen, geheel in verdriet verzonken; bij recent verdriet om het verlies van een vriend; aandoeningen van de geest in het algemeen, vooral wanneer zij door verdriet worden teweeggebracht; droefheid; hopeloosheid; hysterische wisselvalligheid; fantastische illusies." Aan deze lijst kunnen gefixeerde ideeën en de wens om alleen te zijn worden toegevoegd. Ign. dekt veel gevolgen van verdriet, vooral als het recent is. Ik gaf eens onmiddellijk verlichting met Ign. 30 aan een dame die zojuist van de dood van haar broer had gehoord (niet onverwacht), en die klaagde over een hevige pijn in het hoofd juist boven de neuswortel. De gevolgen van zorg, of van een bezorgde gemoedstoestand, roepen evenzeer om Ign. als verdriet, een introverte gemoedstoestand. De bijzondere indicatie van Ign. bij gevallen van hysterie is de snelle afwisseling van stemmingen. Onbedwingbaar lachen afwisselend met uitbarstingen van tranen. Lacht wanneer zij ernstig zou moeten zijn. Gevoelig, impressionabel. Deze toestand met de karakteristieke globus hystericus (een klomp stijgt uit de maag op in de keel alsof zij zou stikken; zij slikt hem weg maar hij keert voortdurend terug; < door water te drinken) wijst onmiskenbaar op Ign. Zenuwtrekkingen en zelfs convulsies komen ook voor. Vertrekking van de gelaatsspieren telkens wanneer de patiënt probeert te spreken. Pijnen wisselen snel van karakter en zijn buitensporig hevig. Overdreven en zonderlinge symptomen. Snelle afwisseling van verschijnselen is een van de leidende kenmerken van het middel; evenals paradoxaliteit. Ign. heeft vele gevallen van difterische en andere keelpijn genezen, wanneer de pijn > was door te slikken. Bij de koorts van Ign. treedt dorst op tijdens de koude rilling en in geen enkel ander stadium. Dit is een zeer onwaarschijnlijke toestand, en geen ander middel heeft dit. Loze braakneigingen zijn > door eten. Plotselingheid is een andere noot van de Ign.-werkingen. Plotseling functieverlies in ieder orgaan. Er zijn vele lichamelijke toestanden die niet met geestelijke stoornis gepaard gaan en toch Ign. vereisen; want men moet steeds bedenken dat de afwezigheid van een bepaalde karakteristiek van een geneesmiddel geen contra-indicatie voor zijn gebruik is, mits andere aanwijzingen voldoende uitgesproken zijn. Ign. geneest veel pijnlijke toestanden van anus en rectum, waaronder aambeien en prolaps, wanneer die gekenmerkt worden door "een scherpe stekende pijn die omhoog in het rectum schiet"; of "samentrekkende pijn aan de anus < na de stoelgang, > tijdens het zitten." Druk alsof een scherp instrument van binnen naar buiten dringt, is karakteristiek. "Hoofdpijn alsof een spijker via de zijkant van het hoofd naar buiten wordt gedreven, > door erop te liggen." Pijnen veranderen van plaats, komen geleidelijk op en nemen plotseling af, of komen en gaan plotseling. Hoofdpijnen eindigen met een overvloedige urinelozing. Tijdens de tanddoorbraak is het vaak aangewezen. Het heeft hydrocefalus genezen door plotselinge metastase van darmen naar hersenen tijdens tanddoorbraak, met plotselinge bleekheid, delirium, rollen met het hoofd, moeilijk slikken; krampachtige bewegingen van ogen en oogleden. Ook de oogsymptomen zijn opmerkelijk. Het heeft veel gevallen van ontstekingsachtige aandoeningen genezen, vooral met intense fotofobie en nerveuze opwinding; ook asthenopie met spasmen van de oogleden en neuralgische pijnen. Ign. is een van de middelen met een zeer uitgesproken gevoel van wegzinken of leegte in de maagstreek. Dit treedt vaak 's nachts op en houdt de patiënt wakker. Daarbij bestaat een neiging tot zuchten. Soms een gevoel alsof de maag verslapt is. Er is regurgitatie van voedsel. Hik < door eten, of roken, of emotionele stoornissen (vooral bij kinderen); loze braakneigingen > door eten; 's nachts braken van voedsel dat 's avonds genomen is. Hysterisch braken. Zuur speeksel en zure smaak in de mond. Kiespijn, < na een maaltijd, niet zo erg tijdens het eten, weer een paradoxale toestand. De gelaatsuitdrukking van Ign. is er een van doodsbleekheid, of kan soms blozend zijn. Er zijn trekkingen van afzonderlijke spieren van oogleden of mond, en fladderen in de borst, en in kleinere spieren van het lichaam; het hart fladdert en stijgt op in de borst, wat verstikking en beklemming veroorzaakt; het lijkt te stijgen en te dalen wanneer zij probeert te slapen. Convulsies, spasmen door schrik. Het kind strekt zich stijf uit en buigt achterover. Halfbewuste toestand, duimen samengeklemd, gelaat blauw. Krampen en spasmen komen veel voor zoals bij Nux. De dysmenorroe waarbij Ign. aangewezen is, heeft weeënachtige neerwaartse druk in de onderbuik, > door druk; door te gaan liggen; door verandering van houding. De vloed is zwart, bedorven; bij overvloedigheid gestold. Spasmen en convulsies, eindigend in langdurige zuchten, worden door Ign. bestreken. Nash verhaalt een geval van puerperale convulsies waarbij dit kenmerk tot een genezing leidde. Er zijn een aantal karakteristieke ademhalingssymptomen: hysterische afonie. Laryngismus stridulus; patiënt gaat rechtop in bed zitten, hees, hakkende hoest. De karakteristieke hoest van Ign. is een prikkelbare en irriterende hoest: hoe langer de hoest duurt, des te sterker wordt de prikkel om te hoesten. Kent beschrijft die als: "Hak, hak-etik-hak, eindigend in snikken." Hoest telkens wanneer hij tijdens een wandeling stilstaat. Holle, krampachtige hoest alsof door zwaveldampen. Hoest alsof ingeademd veerstof. Gevoelens van mierenkruipen en gevoelloosheid zijn zeer algemeen. Pijnen hebben de neiging zich op kleine, scherp begrensde plekjes voor te doen. De koortskarakteristieken zijn: dorst alleen tijdens de koude fase. Rood gelaat tijdens de rilling. Rilling > door uitwendige warmte (doeken, kachel). Uitwendige koude en inwendige hitte. Zodra de hitte begint moet men zich ontbloten (tegenovergesteld aan Nux). Gevoel alsof zweet zou uitbreken maar het doet het niet. Zweet: tijdens het eten; soms koud, meestal warm; soms zuur. Ign. is een van de kouwelijke middelen zoals Nux, Caps., Ars. Koude < en warmte > (behalve in het laatste stadium van de koorts). Rust > de pijnen; en dat geldt ook voor verandering van houding. Liggen >. Op de zij liggen < hoofdpijn; op de pijnlijke zijde liggen > hoofdpijn. Zitten > anale en vele andere symptomen. < Door bukken, lopen, staan. < Door lichte aanraking; > door harde druk. Zachte druk > hoofdpijn. De lichtste aanraking < maagpijn; krampen in de baarmoeder; gevoeligheid van hoofdhuid en pylorusstreek. Er bestaat grote afkeer van tabak, die vele symptomen < maakt. Afkeer van warm voedsel, vlees, alcohol. Verlangen naar zure dingen; naar brood, vooral roggebrood. < Door emotie; door zoetigheid; koffie; sterke geuren; door ascariden; bij gapen. > Door van houding te veranderen; tijdens het eten; door oprisping; bij diep inademen; door slikken. Ign. werkt snel, en de werkingsduur is volgens Hahnemann kort. "Men dient het het best 's morgens toe als er geen haast is. Wanneer het kort voor het slapengaan wordt gegeven, veroorzaakt het gemakkelijk te veel onrust in de nacht." Het past bij het gevoelige, prikkelbare, nerveuze temperament; vrouwen van een gevoelige, gemakkelijk opgewonden aard; donker haar en donkere huid, maar een zacht karakter; snel van begrip, snel in uitvoering. Ign. is het "vrouwelijke" van het "mannelijke" Nux genoemd. B. Simmons omschrijft de plaats van Ign. bij ischias aldus: "Lancinerende, snijdende pijnen, kloppende, barstende pijnen, < in de winter, > in de zomer, rillerigheid met dorst, hitteopwellingen, vooral in het gezicht, zonder dorst." Het lidmaat is gezwollen en de dij knobbelig, en zij kan niet zonder pijn opstaan of gaan liggen; meestal links.

Relaties

Geantidoteerd door: Puls. (voornaamste antidotum); Arn., Camph., Cham., Coccul., Coff. Het antidoteert: brandewijn, koffie, kamillethee, tabak, Selen., Zinc. Compatibel: Ars., Bell., Calc., Chi., Lyc., Nux, Puls., Rhus t., Sep., Sulph., Zinc. Incompatibel: Coffea, Tabac., Nux (soms). Vergelijk: Croc. (onweerstaanbare lachbuien; snel afwisselende geestestoestanden); Lyc. (wegzinkingsgevoel 's nachts, waardoor slaap wordt verhinderd; wolfshonger 's nachts; ook Chi.); Sep. (wegzinkings-, leeg gevoel; bij Ign. gaat dit gepaard met zuchten); Phos. ac., Gels., Coloc. (verdriet; Phos. ac. vooral voor de chronische toestand); Asaf., Asar. (zenuwachtige personen); Ars., Nux (koortsen; > door uitwendige warmte). Bij moeilijk slikken van vloeistoffen, Bell., Caust., Cin., Hyo., Lach., Lyc., Pho. Globus hystericus, Lach., Lyc., Plumb. Aambeien (> zitten, Ign. < zitten, Lyc., Thuj., Phos. ac.). Aambeien tijdens menstruatie, Lach., Collins., Puls., Sul. Zorgen en de gevolgen ervan, Nux, Sul. (Sul. piekert over kleinigheden). Lachen wanneer men ernstig zou moeten zijn, Anac., Pho. Droefheid, Puls. (Ign. verbergt haar verdriet, Puls. toont het). Prolapsus ani, Pod. Jaloezie, Apis, Hyo. Teleurgestelde liefde, Phos. ac. > Door harde druk; holle hoest alsof door zwaveldampen, Chi. Laryngismus, Gels. Hoofdpijn eindigend in overvloedige lozing van heldere, waterige urine, Gels., Aco., Sil., Ver. Wormen, Cin. Bij functionele verlamming door vermoeidheid, emoties of wormen, Stan., Coccul., Pho. Hysterie, Cupr., Plat., Hyo., Asaf., Mosch. (valt gemakkelijk flauw), Valer., Nux mosch. Spasmen bij tengere vrouwen, Bell. (maar Bell. heeft helder rood gelaat, glanzende ogen, heet hoofd, koorts: Ign. heeft geen koorts bij spasmen), Hyo. (Hyo. heeft bewusteloosheid, Ign. niet). Plotselinge gevolgen van emoties, Opium (zeer gelijkend, maar Op. heeft donkerrood, opgeblazen gelaat), Glon. (bij de convulsies van Glon. worden de vingers wijd uitgespreid, ook Secal.), Ver., Cupr., Cham. Bij baarmoederspasmen, Coccul., Cham., Mag. mur., Act. r. Hik (Ign. < door eten, roken, emoties), Hyo. (na buikoperaties), Stram. en Ver. (na warme dranken), Ars. en Puls. (na koude dranken), Teucr. (kinderen, na zogen). Zenuwhoest, hoe meer hij hoest des te hinderlijker wordt de prikkel, Apis. Droefheid, onverschilligheid, diepe melancholie, Tarent. (Ign. introverte gemoedstoestand; Trnt. sluwe pogingen om aanvallen en wilde dansen voor te wenden, geen aanvallen als er geen toeschouwers zijn). Chorea; oogsymptomen, Agar. Uiterste gevoeligheid voor pijn; blozen van de ene of de andere wang, Cham. Oorsymptomen, Phos. (Ign. slechthorend behalve voor de menselijke stem; Pho. precies het tegenovergestelde, overgevoeligheid voor gewone geluiden, doof voor de stem). Zenuwachtige vrouwen, Mg. c., Mg. m. Tranen, koortsen, Nat. m. (Nat. m. is het chronische van Ign.). Teste plaatst Ign. in zijn Ipec.-groep: misselijkheid en braken; omgekeerde peristaltiek; congestieve hoofdpijnen en stuwingen als gevolg van braken; tenesmus; wisselkoorts zijn de leidende kenmerken van de groep.

Oorzaken

Verdriet. Schrik. Zorgen. Teleurgestelde liefde. Jaloezie. Oude ruggenmergletsels.

1. Gemoed

Zwijgzaam, met voortdurend sombere gedachten; stille, ernstige melancholie, met kermen. Droefheid en geconcentreerd verdriet, met zuchten. Besluiteloosheid; angstige neiging nu dit, dan dat te doen. Ongeduld. Sterke neiging om te schrikken. Mokkige en ontevreden stemming, en onwillekeurige overpeinzingen over pijnlijke en onaangename dingen. Intolerantie voor lawaai. Brutaliteit. Tederheid van aard en geweten. Wispelturigheid. Afwisseling van dwaze vrolijkheid en huilerige droefheid. Bondige spraak. Grote zwakte van het geheugen. Liefde voor eenzaamheid. Angst, vooral 's morgens bij het ontwaken, of 's nachts, soms met hartkloppingen. Huilerige en apathische stemming, met afkeer van inspanning. Neiging tot verdriet, zonder daar iets over te zeggen. Veranderlijke stemming; schertsen en lachen, overgaand in droefheid, met tranen (hysterie). Wanhoop om genezen te worden. De geringste tegenspraak wekt woede en drift op, met roodheid van het gelaat. Angstigheid, schuchterheid. Boosheid, gevolgd door stille droefheid en verdriet. Angst voor rovers in de nacht. Huilt en raakt geheel ontmoedigd bij de geringste aanleiding.

2. Hoofd

Duizeligheid; met vonken voor de ogen. Grote zwaarte van het hoofd, alsof het vol bloed was. Drukkende hoofdpijn, vooral boven de neuswortel, en vaak gepaard gaand met neiging tot braken, < of > door bukken. Stekende pijn, van binnen naar buiten in het voorhoofd. Krampachtige druk op voorhoofd en achterhoofd, met verduistering van het zien, roodheid van het gelaat en huilen. Pijnlijke uitzettingssensatie in het hoofd, alsof de schedel zou barsten, vooral bij spreken, lezen of naar een ander luisteren. Pijn alsof het hoofd gekneusd is, vooral 's morgens bij het ontwaken. De hoofdpijnen zijn < door koffie, brandewijn, tabaksrook, lawaai, sterke geur, door lezen en schrijven; door zonlicht; door de ogen te bewegen; > bij verandering van houding en wanneer men op de pijnlijke zijde ligt. Hoofdpijn met zigzaglijnen voor het gezichtsveld. De huid over het voorhoofd voelt strakgetrokken, met een verloren en slaperig gevoel, en duizenden sterren zweven voor het gezichtsvermogen. Hoofdpijn alsof een spijker in de hersenen wordt gedreven; of via de zijkant van het hoofd naar buiten; > wanneer men op de pijnlijke zijde ligt. Drukkende hoofdpijn in voorhoofd en kruin. Doordringende en schietende scheurende pijnen diep in de hersenen en het voorhoofd, > door te gaan liggen. Drukkende, pulserende hoofdpijn. Trillen van het hoofd. Achteroverwerpen van het hoofd (tijdens spasmen); > door warmte. Haaruitval.

3. Ogen

Druk op de ogen, soms alsof er zand in gebracht was. Ontsteking van de ogen. Roodheid van de ogen. Bijtende tranen in de ogen overdag; verkleving van de oogleden gedurende de nacht. Tranenvloed, vooral in de helderheid van de zon. Zwelling van het bovenooglid, met verwijding van de (blauwachtige) aderen; het ooglid slaat omhoog. Ontsteking van het bovenste deel van de oogbol voor zover dit door het bovenooglid bedekt wordt. Krampachtige bewegingen van de ogen en van de oogleden. Starende blik, met verwijde pupillen. Fotofobie. Wazig zien, alsof men door een nevel kijkt. Flikkerende zigzaglijnen (en sterren) voor de ogen.

4. Oren

Zwelling van de oorspeekselklieren, met schietende pijn. Roodheid en brandende hitte in een van de oren. Slechthorendheid; behalve voor de menselijke stem. Jeuk in de oren. Geruis voor het oor, als van een sterke wind. Zorgen nemen het gehoor weg en verergeren de geluiden.

5. Neus

Jeuk in de neus. Neusgaten rauw en verzweerd, met zwelling van de neus. Neusbloeding. Verstopping van één neusgat; droge neusverkoudheid, met doffe hoofdpijn en overmatige nerveuze opwinding. Droogheid van de neus.

6. Gelaat

Gelaat bleek, rood of blauw, of aardkleurig en vaal. Afwisselende roodheid en bleekheid van het gelaat. Leemkleurig, ingevallen gelaat, met blauwe randen rond de ogen. Transpiratie alleen in het gezicht. Roodheid en brandende hitte in een van de wangen (en in één oor). Krampachtige schokken en vertrekking van de gelaatsspieren. Uitslag in het gezicht. Lippen droog, gebarsten en bloedend. Pijn alsof de binnenzijde van de bovenlip geschaafd is. Korsten op de mondhoeken en op de lippen. Pijnen in de submandibulaire speekselklieren. Krampachtig rukken van de mondhoeken. Verzwering van een mondhoek. Spasmodisch opeenklemmen van de kaken (kaakklem).

7. Tanden

Kiespijn, alsof de tanden (de kiezen) gebroken waren. Losheid van de tanden. Kiespijn tegen het einde van een maaltijd, < na afloop ervan. Moeizame tanddoorbraak, met convulsies.

8. Mond

Ontsteking en roodheid van de mond en van het gehemelte. Voortdurende afscheiding van slijm, of ophoping van zuur speeksel in de mond. Neiging om bij het kauwen of spreken aan één zijde achteraan op de tong te bijten. Vochtige tong, dik beslagen met een witte laag. Steken in het gehemelte, uitstralend naar het oor. Schuim op de mond. Stem zwak en trillend.

9. Keel

Keelpijn alsof er een prop in zit, wanneer men niet slikt. Gehemelte rood en ontstoken, met een gevoel alsof hetgeen men doorslikt over een brandende, geschaafde zwelling gaat. Scheuten in de keel, soms uitstralend naar het oor, vooral wanneer men niet slikt. Bij het slikken een gevoel alsof men over een knobbel slikt, wat pijn en een knappend geluid veroorzaakt. Ontsteking, zwelling en verharding van de amandelen, met kleine zweren. Bemoeilijkte deglutitie (van dranken). Samentrekking van de slokdarm, met snikkende opstijgingen. Pijn in de submandibulaire speekselklieren bij het bewegen van de nek.

10. Eetlust

Afkeer van eten en drinken, vooral van melk, vlees, gekookt voedsel en tabaksrook. Gebrek aan eetlust, en snelle verzadiging. Flauwe smaak, als krijt, in de mond. Zwakte en moeizame spijsvertering. Zure smaak in de mond. Bittere en bedorven smaak van voedsel, vooral van bier. Afkeer van, of sterk verlangen naar, zure dingen. Afkeer van wijn en brandewijn. Pijnlijke opzetting van de buik na een maaltijd. Hongergevoel 's avonds dat het inslapen verhindert. Verlangen naar verschillende dingen, die worden afgewezen zodra men ze krijgt. Voedsel smaakt nergens naar. Melk die 's morgens genomen wordt laat lang een nasmaak achter. Na roken, hik, misselijkheid, zweet en koliek.

11. Maag

Regurgitatie van voedsel, of van bitter sereus vocht. Hik door roken. Hik, steeds na eten of drinken. Zure oprispingen. Misselijkheid, met opwinding en angst. Braken van voedsel, zelfs 's nachts. Braken van gal en slijm. Periodieke aanvallen van maagkramp, die de slaap 's nachts verstoren en < zijn door druk op het aangedane deel. Doffe zeurende pijn of scheuten in het epigastrium. Koude, of brandend gevoel in de maag, vooral na het nemen van brandewijn. Gevoel van leegte en van zwakte in het epigastrium. Gevoel van zwakte (wegzinken) in de maagkuil. Zwaarte en druk in de maagkuil. Volheid en zwelling in het epigastrium. Pijnlijke gevoeligheid van de maagkuil bij aanraking.

12. Buik

Gevoel van volheid en opzetting van de hypochondrieën, met moeilijke ademhaling. Pijn in het l. hypochondrium, < door druk en door lopen. Schietend gevoel van branden en druk, of zwelling en hardheid in de miltstreek. Uitzettende pijn in de buik, alsof de darmen zouden barsten. Opzetting van de buik. De winderigheid drukt op de blaas. Snijdende pijnen in de navelstreek. Krampachtige pijnen, snijdend, stekend, als weeën. Hevige zeurende pijn in de buik. Rollend gevoel om de navel. Trekken en knijpen in de navelstreek. Gevoel van uitpuilen in de navelstreek. De buikpijnen zijn < na het gebruiken van koffie, brandewijn of met suiker gezoete dingen. Scheuten en knijpen in de buik, vooral in de zijden. Periodieke krampachtige buikpijnen. Krampachtige druk in de liesstreek. Bonzen in de buik. Borborygmi in de darmen. Winderige koliek, vooral 's nachts. Gevoel van zwakte en trillen in de buik, met zuchtende ademhaling.

13. Stoelgang en Anus

Constipatie door kou vatten; door rijden in een rijtuig. Harde ontlasting, met veelvuldige vergeefse pogingen. Vruchteloze aandrang tot stoelgang, vooral gevoeld in de bovenste darmen. Ontlasting geel, witachtig, zeer groot van omvang, zacht maar moeilijk uit te drijven. Diarree van bloederig slijm, met gerommel in de buik. Slijmerige ontlasting, gepaard gaand met koliek. Bloedafgang uit de anus. Prolaps van het rectum tijdens de stoelgang. Jeuk en tinteling in de anus. Ascariden in het rectum. Samentrekking van de anus. Samentrekkende, schrijnende pijn in de anus na ontlasting. Prolapsus ani, met schrijnende pijn, door lichte persdrang tot stoelgang. Scheuten vanuit de anus hoog het rectum in. Schrijnen in het rectum tijdens dunne ontlasting.

14. Urinewegen

Frequent en overvloedig lozen van waterige urine. Urine citroenkleurig. Onwillekeurige lozing van urine. Dringende en onweerstaanbare aandrang om te urineren. Voortdurende aandrang om te urineren na koffie. Brandend en schrijnend gevoel in de urethra tijdens de mictie. Jeuk in het voorste deel van de urethra. Aandrang om te urineren zonder te kunnen.

15. Mannelijke Geslachtsorganen

Veel jeuk in de geslachtsdelen en in de penis, 's avonds na het gaan liggen, verdwijnend door krabben. Pijn alsof de randen van de voorhuid geschaafd en verzweerd zijn. Afknellend gevoel en zeurende pijn in de testikels, vooral 's avonds na het gaan liggen. Zweet op het scrotum. Wellust, met zwakte van het geslachtsvermogen (zonder erecties). Samentrekking van de penis; hij wordt heel klein. Afwezigheid van geslachtsverlangen. Erecties, met pijnlijke onrust en zeurende pijn aan het schaambeen. Erecties bij iedere stoelgang.

16. Vrouwelijke Geslachtsorganen

Menstruatie te vroeg en hevig, om de tien of vijftien dagen. Menstruatiebloed zwart, bedorven van geur, vermengd met stolsels. Metrorragie. Tijdens de menstruatie zwaarte, hitte en pijn in het hoofd, fotofobie, koliek en samentrekkende pijnen, angst, hartkloppingen en grote vermoeidheid, zelfs tot flauwvallen. Krampachtige en drukkende pijnen in de streek van de baarmoeder, met aanvallen van verstikking; druk en liggen op de rug verzachten de pijn. Kramp in de baarmoeder tijdens de menstruatie. Baarmoederspasmen, met lancinaties, of als weeënpijnen. Bijtende en etterige leucorroe, voorafgegaan door samentrekkende druk in de baarmoeder.

17. Ademhalingsorganen

Rauw gevoel in het strottenhoofd. Samentrekkend gevoel in de luchtpijp en het strottenhoofd. Stem zwak, onvermogen om luid te spreken. Catarre, met neusverkoudheid en hoofdpijn. Hoest, opgewekt door een gevoel van samentrekking in de halskuil, alsof door zwaveldamp. Holle krampachtige hoest, 's avonds veroorzaakt door een gevoel van damp of stof in de keelkuil; 's morgens door een kriebel boven de maagkuil, met opgeven 's avonds, moeilijk, smakend en ruikend als oude catarre. (Kinkhoest). Hardnekkige nachtelijke hoest. Droge hoest, soms met overvloedige neusverkoudheid. Hoest, even sterk aanhoudend dag en nacht. Hoe langer hij hoest, des te sterker wordt de prikkel om te hoesten. Droge, hese hoest. Krampachtige schuddende hoest. Korte hoest, alsof door een veer in de keel, die door herhaling sterker wordt (hoe meer hij hoest, des te meer hij wil hoesten). Hese droge hoest, opgewekt door een kriebel boven de maag.

18. Borst

Behoefte om diep adem te halen. Trage ademhaling. Moeilijke ademhaling en beklemming van de borst, vooral 's nachts (na middernacht). Benauwde ademhaling, afwisselend met convulsies. Moeizame ademhaling, alsof zij door een gewicht op de borst gehinderd werd. Kortademigheid bij lopen, en hoest zodra men stilstaat. Zuchtende ademhaling. Verstikkingsgevoel bij hardlopen. Zeurende pijn in de borst. Samentrekking van de borst. Scheuten in de borst en in de zijden, opgewekt door winderigheid (winderige koliek).

19. Hart

Hartkloppingen 's nachts, met scheuten in het hart, of anders 's morgens bij het ontwaken, evenals bij nadenken en tijdens rust. Kloppingen in de borst. Stekende pijn in de precordiale streek bij uitademing. Cardiale hyperesthesie. Angstig gevoel in de praecordia; wegzinkingsgevoel en leegte in de maagstreek; samentrekking, met angst en neiging tot huilen.

20. Nek en Rug

Stijfheid van de nek. Steken in de lendenen; in de nek. Zeurende pijn in de klieren van de nek. Vergrote klieren (pijnloos), als nodositeiten, in de nek. Pijn in het heiligbeen 's morgens, wanneer men op de rug ligt. Hevige heiligbeenpijnen, als scheuten of trekkingen, of alsof door een klauw samengeknepen. De rug is naar voren gebogen. Krampachtig achteroverbuigen van de wervelkolom. Lancinerende steken als van messen, van de lendenen naar de dijen. Zwakke rug, met ischias.

22. Bovenste Ledematen

Lancinerende, snijdende pijn in het schoudergewricht bij het voorwaarts buigen van de arm. Ondraaglijke pijnen in de beenderen en gewrichten van de armen, alsof het vlees werd losgemaakt, of met een verlamd gevoel en ontwrichtingspijn (bij beweging van de arm). Krampachtige schokken in de armen (in de deltaspier) en in de vingers. Scheurende pijn in de armen, opgewekt door koude lucht. Spanning in de pols. Warm zweet van de handen. Gevoel van verstomping en borende pijn in de armen, 's nachts in bed (met het gevoel alsof iets levends in de arm rondloopt). Warme transpiratie in handpalm en vingers.

23. Onderste Ledematen

Snijdende, scheurende pijnen aan de achterzijde van de dijen, bij vermoeiing van de spieren. Ischias, met zwakte van rug en onderste ledematen. Ledematen gezwollen, dij knobbelig, kan niet opstaan of gaan liggen zonder pijn (meestal l.). Zwaarte van de benen en voeten, met spanning in de benen en kuiten bij lopen. Hitte van de knie, met koude en jeuk van de neus. Krampachtige schokken van de benen. Stijfheid van de knieën en van de voeten. Bij lopen worden de knieën onwillekeurig opgetrokken. Kraken in de knie. Pijnlijke gevoeligheid van de voetzolen bij lopen. Scheuten en pijn alsof van verzwering in de voetzolen. Brandend gevoel in de hielen 's nachts, wanneer men ze dicht bij elkaar legt; wanneer zij elkaar raken, voelen zij koud aan. Koude van voeten en benen, zich uitstrekkend boven de knie. Brandend gevoel in likdoorns.

24. Algemeenheden

Hevige pijn in verschillende delen wanneer deze worden aangeraakt. Snijdende of scherpe, en soms hard drukkende pijn (alsof een hard spits lichaam van binnen naar buiten drukt) in de ledematen en andere delen. Trillen van de ledematen. Lancinaties, als van messen. Gevoel alsof de inwendige organen uit elkaar worden gedrukt, of van samentrekking. Jichtige scheurende pijnen in de ledematen. Pijn alsof door ontwrichting of verstuiking in de gewrichten. Zwaarte en kruipende gevoelloosheid in de ledematen. Convulsies afwisselend met benauwde ademhaling. Aanvallen van krampen en convulsies, soms met angst, verstikkingsaanvallen, achteroverwerpen van het hoofd, blauwachtig of rood gelaat, spasmen in de keel, verlies van bewustzijn, enz. Epileptische convulsies, met schuim op de mond, veelvuldig gapen, krampachtig verdraaide ogen, ingetrokken duimen, gelaat rood, of afwisselend bleek en rood, enz. Krampachtige trekkingen, vooral na schrik of verdriet. Onwillekeurige bewegingen van de ledematen, als bij Sint-Vitusdans. Na de convulsies diepe zuchten, of slaperige slaap. Grote gevoeligheid voor de open lucht. Convulsies, met gillen en lachen. Tetanus. Hysterische zwakte en flauwtes. Hysterische spasmen. De symptomen openbaren zich vooral direct na een maaltijd, ook 's avonds na het gaan liggen, of 's morgens onmiddellijk na het opstaan. Koffie, tabak, brandewijn en lawaai verergeren de pijnen. De pijnen verdwijnen hetzij door op de rug te liggen, hetzij door op het aangedane deel te liggen, of op de gezonde zijde, en altijd door verandering van houding. Nachtelijke pijnen die de slaap verstoren.

25. Huid

Jeuk (over het hele lichaam), die gemakkelijk door krabben verdwijnt. Wintertenen. Schaafplekken van de huid; (vooral rond vagina en mond. Cooper). Jeuk wanneer men warm wordt in de open lucht. Grote gevoeligheid van de huid voor tocht. Netelroos over het hele lichaam, met hevige jeuk (tijdens de koorts).

26. Slaap

Diepe, comateuze slaap, met reutelende ademhaling. Hevig krampachtig gapen (met pijn in de onderkaak, alsof die ontwricht is, met tranende ogen), vooral 's morgens of na een dutje. Zeer lichte slaap; hoort alles wat er om hem heen gebeurt. Slaap verstoord door nachtmerries, of door schokken en veelvuldige dromen. Schokken van de ledematen bij het inslapen. Dromen met nadenken en redeneren, of met gefixeerde ideeën. Dromen met gefixeerde ideeën, die na het ontwaken voortduren. Onrustige slaap en grote onrust 's nachts. Schrikt met angst op bij het inslapen. Jammeren tijdens de slaap.

27. Koorts

Pols hard, vol en frequent, of zeer wisselend. Koortsige rillingen, vooral in de rug en armen, met dorst naar koud water, en soms met misselijkheid en braken. Rilling, vaak alleen van de achterzijde van het lichaam. Verzachting van de koude door uitwendige warmte. Uitwendige hitte met inwendige koude. Algemene hitte, vooral in het hoofd, met roodheid, voornamelijk van (één van) de wangen, en dorsteloosheid, soms met innerlijk huiveren, koude van de voeten, scheuten in de ledematen en hoofdpijn. Rilling en koude, waardoor de pijnen toenemen. Plotselinge hitteopwellingen over het hele lichaam. Lastig hittegevoel, soms met zweet. Afwezigheid van dorst tijdens de hitte en de transpiratie, of tijdens de apyrexie. Alleen uitwendige hitte, zonder dorst, met afkeer van uitwendige warmte. Koorts, met hoofdpijn en pijn in de maagkuil, grote vermoeidheid, bleekheid van het gelaat, of afwisselend bleekheid en roodheid, lippen droog en gebarsten, netelroos, tong wit, diepe slaap met snurken, enz. Wisselkoorts; rilling met dorst, gevolgd door hitte (zonder dorst), gevolgd door rilling met dorst, of middagkoorts; huiveringen met koliek (en dorst), daarna zwakte en slaap, met brandende hitte van het lichaam. Tijdens de koorts hevige jeuk; netelroos over het hele lichaam. Brandende hitte van het gelaat, slechts aan één zijde. Zeer weinig transpiratie, of alleen in het gezicht. Zweet, met scheuten en gezoem in de oren. Zweet tijdens een maaltijd.

Verken het volledige Similia-platform

Toegang tot 13 klassieke materia medica-boeken, 7 klassieke repertoria, AI-semantische zoekfunctie en basis-casusbeheer — gratis.

Bekijk prijzen