Lachesis. (Lachesis Mutus.)
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Verlies van bewustzijn.
Zwakte van het geheugen ; maakt vergissingen bij het schrijven ; verwarring omtrent tijd.
Grote geestelijke traagheid met lichamelijke zwakte. θ Tyfus.
Geest verward en afdwalend. θ Difterie.
Snel begrip ; geestelijke activiteit, met bijna profetische waarneming ; extase ; een soort trance.
Nauwelijks komt één gedachte bij hem op, of een groot aantal andere volgt snel achtereen terwijl hij schrijft.
Visioenen en ijlend spreken zodra hij de ogen sluit ; < van de middag tot middernacht.
Denkt : zij is iemand anders en in de handen van een sterkere macht ; zij is dood, en men treft voorbereidingen voor de begrafenis, of dat zij bijna dood is en wenst dat iemand haar uit haar lijden zou verlossen ; zij wordt achtervolgd door vijanden, of vreest dat het geneesmiddel vergif is ; er zijn rovers in huis en zij wil uit het raam springen ; zij staat onder bovenmenselijke beheersing ; visioenen zijn werkelijk ; hij zal sterven.
Beeldt zich in dat hij gevolgd wordt door vijanden die hem kwaad willen doen ; probeert de kamer te verlaten alsof hij verschrikt is door visioenen achter hem. θ Fistel.
Delier 's nachts, mompelend, slaperig, rood gezicht ; trage, moeilijke spraak en hangende onderkaak.
Hevig delier vooral na het slapen. θ Tyfoid.
Delier ; vreest dat zij verdoemd zal worden.
Voortdurend delier dat snel van het ene onderwerp naar het andere verandert. θ Difterie.
Delier door nachtelijk waken, oververmoeidheid ; verlies van lichaamsvochten ; overmatige studie.
Delirium tremens, aanvallen komen het meest in de namiddag, of na de slaap ; spraakzaam, springt van het ene onderwerp naar het andere, kan niet verdragen dat hemd of halsboord de keel aanraakt.
Allerbuitengewoonste spraakzaamheid, houdt toespraken in zeer uitgelezen bewoordingen, maar springt over op de meest heterogene onderwerpen ; tegelijk trots, vol wantrouwen. θ Manie.
Religieuze monomanie, vrees om verdoemd te worden.
Het ene woord leidt vaak midden in een ander verhaal.
Waanzinnige jaloezie.
Zijn geest is verstoord vóór de aanval. θ Epilepsie.
Na een operatie voor fistula in ano klaagde hij over zijn hoofd, vooral over pijn in de linker slaap en het achterhoofd ; zeurende pijn in de lumbale streek ; kwam duizelig, flauw en misselijk van het werk thuis ; sprak incoherent, sprak als het ware in een vreemde taal ; sindsdien volledig buiten zinnen ; zal vaak huilen en jammeren, dan op de dwaaste manier lachen ; slaapt 's nachts niet ; slaapt overdag telkens slechts een minuut of twee ; is vaak gewelddadig, slechts met moeite kan hij in bed gehouden worden ; probeert langs de bedstijl omhoog te klimmen ; heeft een idiote uitdrukking ; articulatie onvolmaakt ; tong hangt los in de mond ; ogen rollen leeg voor zich uit ; komt vaak overeind, met grote inspanning en onhandigheid ; het lichaam buigt bij het staan naar links, moet ondersteund worden ; sleept zijn voeten bij het lopen, de richting van zijn stappen is naar links ; volledig niet in staat zichzelf te voeden ; schijnt onverschillig voor voedsel ; beeldt zich in dat hij gevolgd wordt door vijanden die hem kwaad willen doen ; probeert de kamer te verlaten alsof hij verschrikt is door visioenen achter hem. θ Mentale stoornis.
Zij voelt zich verzocht zelfmoord te plegen. θ Manie.
Spraakzaamheid ; veel snel praten ; wil de hele tijd praten. θ Koortsen.
Neiging om mededeelzaam te zijn ; levendige verbeelding ; uiterst ongeduldig bij langdradige en droge zaken.
Is ziekelijk spraakzaam en geeft een breedsprakig verslag van haar klachten.
Jaloezie, met vreselijke beelden, sterke neiging tot spot, tot satire en belachelijke ideeën.
Uitzonderlijke spraakzaamheid met snelle verandering van onderwerp ; springt abrupt van de ene gedachte naar de andere.
Praat, zingt of fluit voortdurend ; maakt vreemde bewegingen met de arm. θ Difterie.
Hevig lachen gedurende een uur ; dyspnoe.
Begint aan veel dingen, volhardt in niets.
Geen zin in zijn eigenlijke werk ; klaagt over kleinigheden.
Afkeer van een vrouw om te trouwen.
(Bij een zieke :) Volmaakte gelukzaligheid en opgewektheid, gevolgd door geleidelijk vervagen van het geestelijke ; gebrek aan zelfbeheersing ; wellustig ; had het gevoel alsof zij door en door louter dierlijk was, terwijl alle mentale kracht sluimerde ; gevoel alsof zij in de handen van een sterkere macht was, alsof zij betoverd was, en alsof zij de betovering niet kon verbreken.
Rustig, bedroefd, neerslachtige stemming, > door zuchten ; afkeer van gezelschap en tegenzin om te spreken ; bezorgdheid over de toekomst, met walging van het leven ; neiging om aan alles te twijfelen ; wantrouwt en vat verkeerd op ; traagheid ; afkeer van iedere vorm van arbeid en beweging. θ Melancholie.
Voelt zich uiterst droevig, ongelukkig en in het gemoed bedrukt bij het ontwaken in de ochtend.
Droef ; walging van het leven ; wantrouwig en knorrig ; kreunen en klagen ; huid verschrompeld en livide ; neus, oren en voorhoofd koud ; zodra hij de ogen sluit is hij ijlend. θ Traumatisch delier.
Flauwteaanvallen met grote en bijna onoverwinnelijke droefheid en somberheid ; ziet op tegen gezelschap ; aanhoudende constipatie met het gevoel alsof de anus gesloten was.
Grote droefheid en angst, < 's morgens bij het ontwaken.
Zwak en ongelukkig, vooral in de ochtend, wanneer zij zich bij het ontwaken vriendloos en verlaten voelt ; dezelfde symptomen als zij 's nachts wakker wordt ; weinig appetijt ; geconstipeerd ; gevoel van vernauwing van de anus ; schaarse en donkergekleurde urine ; heeft huiselijke moeilijkheden gehad. θ Melancholie.
Hopeloosheid.
Doodsangst, vreest naar bed te gaan ; vrees vergiftigd te worden.
Moedeloos, walgt van het leven. θ Melancholie na de bevalling.
Levensmoe, beziet alles van de donkere kant ; < 's morgens, > in de loop van de dag ; het minste geluid verstoort de slaap.
Verzadiging van het leven met verlangen naar de dood.
Zij wordt gekweld door de gedachte dat haar betere beginselen overwonnen zouden kunnen worden door een onweerstaanbare neiging tot zelfmoord. θ Manie.
Wellustige, geprikkelde toestand, strijdt ertegen. θ Epilepsie.
Liefdesdrang ; geslachtsdrift.
Grote gevoeligheid en angst. θ Leveraandoening.
Prikkelbaarheid ; slecht humeur ; gevoelige aard.
Knorrig, geneigd somber of twistziek te zijn.
Trots ; jaloers, wantrouwig ; ontwikkelt zich tot manie.
Kwaadaardigheid ; denkt alleen aan kwaad doen.
Gevoeligheid, of algemene verergering na mentale inspanning.
Een meisje gebruikt na overmatige studie verheven taal ; is buitengewoon kieskeurig in haar woordgebruik, verbetert zichzelf vaak nadat zij een woord heeft gebruikt, en vervangt het door een ander met zeer verwante betekenis ; spreekt erover onder invloed van een hogere macht te staan. θ Manie.
Nachtelijke aanvallen van angst ; bang voor cholera, krijgt van vrees krampen in de kuiten ; misselijkheid, zwaar gevoel in het abdomen, rommelen in de navelstreek.
Chronische klachten na langdurig verdriet of rouw.
Na huiselijk onheil ; slapeloos, of, wanneer door uitputting overmand, korte dutjes verstoord door vreselijke dromen ; springt met schrik in bed overeind, met angst, verstikking op de borst en hartkloppingen ; prikkelbaarheid afwisselend met spraakzaam delier ; nachtelijke hallucinaties die mentaal lijden veroorzaken ; zich bewust van haar toestand. θ Mentale stoornis.
Mentale ontregeling
na ergernis.
Klachten door schrik, teleurgestelde liefde of jaloezie.
Na een jaloerse ruzie legde zij beide handen op haar borst en riep uit "O! mijn hart!"; viel daarna neer en verkeerde bijna vierentwintig uur in een asfyctische toestand ; er was geen pols voelbaar, de ademhaling nauwelijks waarneembaar ; lag op haar rug.
SENSORIUM [2]
Linkszijdige apoplexie, vooral na gemoedsbewegingen of alcoholmisbruik ; blazende uitademing, verdraagt aanraking van de nek niet.
Stupor of verlies van bewustzijn, blauw gezicht en krampachtige bewegingen, tremor van de ledematen. θ Apoplexie.
Sufheid ; klaagt op school over pijn en zwaarte in het hoofd, en wanneer hij thuisgebracht wordt ligt hij gewoonlijk drie of vier uur te sluimeren of half wakker ; 's nachts vaak ontwakend ; om de andere nacht braken ; zwaar gelaat, pupillen licht verwijd, voorhoofd heet, pols 90 ; tong schoon ; overdag hoofdpijn. θ Hersenirritatie.
Wegvallen van gedachten, met zwartheid voor de ogen, in aanvallen.
Zo duizelig dat hij niet kon staan ; kon de letters niet zien, viel tegen de muur ; hevige pijn door het hele hoofd.
Bloedaandrang naar het hoofd ; met hitte in het hoofd ; na alcohol ; onderdrukte of onregelmatige menstruatie ; overgangsperiode.
Duizeligheid met zwaarte in het hoofd, dofheid als van lood in het achterhoofd. θ Tyfoïde toestand.
Verdoffing van de cerebrale functie. θ Difterie. θ Scarlatina.
Duizeligheid : 's morgens vroeg ; bij het ontwaken ; 's avonds ; bij het omhoogkijken ; bij het nauwkeurig bekijken van enig voorwerp ; van lopen in de open lucht (in de overgang) ; na onderdrukte erysipelas ; met bleek gezicht ; migraine ; kortstondig bij het sluiten van de ogen ; met vallen naar de linkerzijde ; vóór de menstruatie ; bij bukken ; na het gaan liggen ; bij het omhoogreiken ; met misselijkheid, braken, hoofdpijn ; verdoffend ; zoals vóór apoplexie.
Hoofd, inwendig [3]
Hoofdpijn in het voorhoofd ; flauw bij het opstaan.
In het voorhoofd : zeurende pijn ; met steken ; doffe pijn (angina faucium) ; drukkend van buiten naar binnen ; hevige hoofdpijn wanneer de neusuitvloeiing plotseling opdroogt.
Hevige uitschietende, stekende pijnen, van het bovenste deel van het voorhoofd naar het midden van het hoofd, alsof messen in de wenkbrauwstreek werden gestoken ; < bij de geringste beweging ; hevige druk van boven naar beneden. θ Hoofdpijn.
Drukkend zwaar gevoel in het voorhoofd dat zich naar achteren en soms over het hele hoofd uitstrekt, opkomend op elk moment van de dag ; pijn aan de achterzijde van de heup en in de linkerzijde, in de miltstreek, af en toe aan de rechterzijde ; abdomen gevoelig, kan de geringste aanraking niet verdragen ; constipatie ; doffe pijn in de benen.
Hoofdpijn boven de ogen en in het achterhoofd, 's morgens bij het opstaan.
Doffe pijn boven en in de ogen ; misselijkheid ; pijn boven op het hoofd ; duizeligheid bij het opstaan.
Pijn boven de ogen, meestal links, met misselijkheid. θ Migraine.
Hoofdpijn die zich tot in de neus uitstrekt.
Warmte in het voorhoofd tussen de aanvallen. θ Epilepsie.
Kloppende pijn in de slaap met warmte in het hoofd. θ Migraine.
Hevige kloppende pijn in de linker slaap, vooral vóór de menstruatie.
De zenuwen van de slaap aan één zijde pijnlijk, met kloppen in de slapen ; warmte in het hoofd ; duizeligheid met bleekheid van het gezicht ; pijn in de linker ovariële streek ; opgeblazenheid van de maag.
Hoofdpijn angstwekkend hevig, het voelt alsof de hersenen de schedel zouden doen barsten, vooral bij de slapen ; begint gewoonlijk bij het opstaan in de ochtend, zelden in de namiddag ; liggen > de pijn, maar zodra zij het hoofd opheft, is de pijn even hevig, of zij nu zit of loopt.
Drukkende of barstende pijnen in de slapen, < door beweging, druk, bukken of liggen.
Hevige, drukkende pijn in de ene of de andere slaap, < aan de r. zijde ; misselijkheid ; mond kleverig ; kan het speeksel niet doorslikken ; de pijn komt 's nachts op en duurt tot het einde van de volgende dag ; gewoonlijk > na braken ; na het eten komt het voedsel in mondvol terug omhoog ; veelvuldig oprispingen van schuimig slijm.
Trekkende pijn in de linker slaap met roodheid ; gevoeligheid bij de geringste aanraking ; koorts ; pols vol en snel.
Hoofdpijn : pijn van de wenkbrauwboog tot aan het achterhoofdsuitsteeksel, ondraaglijk ; kon niet slapen ; licht delirant ; verwijdde pupillen ; pijn hevig ; koud water uitwendig > enigszins ; te middernacht gedeeltelijk buiten bewustzijn ; tong stijf en uitgestoken ; spraak onsamenhangend, of hij zegt steeds hetzelfde opnieuw ; spreekt als een waanzinnige ; idiote uitdrukking ; begrijpt niet wat men tegen hem zegt ; telkens wanneer hij opstaat, wankelt hij achterover ; loopt achteruit totdat hij tegen muur, bed of tafel komt ; grijpt een meubelstuk vast en trekt zich met de grootste moeite naar voren ; angstig voor iedereen, denkt dat iedereen samenspant om hem te doden ; bang voor medicijnen, wil er geen innemen ; gedeeltelijke verlamming aan de rechterzijde.
Hoofdpijn in de linker voorhoofdswelving, diep inwendig.
Linkszijdige orbitale neuralgie ; tranenvloed ; vóór de aanval opstijgende warmte naar het hoofd ; tijdens de tussenpozen een zwak, misselijk gevoel in het abdomen.
Halfzijdige hoofdpijn aan de rechterzijde, die geleidelijk naar links kruipt totdat zij rond het hoofd gaat ; trekkingen in de ogen wanneer deze op een voorwerp gericht zijn ; menstruatie onregelmatig, een week te vroeg ; trage spijsvertering ; constipatie ; vaak misselijkheid ; pijn diep in de orbita en boven de ogen, die rood en bloeddoorlopen zijn. θ Cephalalgie.
Om de drie of vier dagen hevige hoofdpijn ; de pijn kloppend en drukkend, vooral in de rechter helft van het hoofd, zich uitbreidend langs dezelfde zijde van de hals, die gewoonlijk stijf en pijnlijk aanvoelt ; pijn < tijdens de menstruatieperiode, die gepaard gaat met veel zeurende pijn over de lendenen ; menstruatie donker en overvloedig, acht tot negen dagen aanhoudend.
Eenzijdige spannende hoofdpijn, trekkend van de hals over het hoofd naar de ogen ; braken ; stijfheid van de hals ; drukgevoeligheid van de hoofdhuid.
Hoofdpijn aan de rechterzijde, zich uitstrekkend naar hals en schouders, met spanning in de spieren.
Scheurende pijn in de gehele linkerzijde van het hoofd, van de slaap tot het sleutelbeen ; tranen vloeien voortdurend ; pijn zonder onderbreking ; enige nachtelijke verergeringen ; > door warme toepassingen ; verlammingsachtige toestand van de tong ; zij helde naar de aangedane zijde ; kon nauwelijks spreken ; pijnlijk moe gevoel in gezicht, hoofd en hals ; de tong voelt alsof zij gebonden of vastgebonden is. θ Neuralgie.
Snijdende hoofdpijn alsof een deel van de rechterzijde van het hoofd afgesneden was, < na opstaan of omhooggaan ; > door warmte en na boeren.
Hemicranie met duizeligheid, bleekheid van het gezicht, algemeen gevoel van stijfheid en pijn in de linkerzijde van het abdomen.
Scheurende pijn boven op het hoofd van binnen naar buiten ; duizelig, gezicht bleek ; flauw, gevoelloos ; gezicht ingevallen, of opgeblazen en rood.
Druk boven op het hoofd met heet bonzen in de slapen ; constipatie ; elke opwinding veroorzaakt hoofdpijn ; gedurende twee maanden geen menstruatie. θ Climacterium.
Borende pijn op de kruin, misselijkheid en braken. θ Schurft.
Bonzende hoofdpijn met warmte, < op de kruin en aan de rechterzijde, of boven de ogen ; voorafgaand aan een hoofdverkoudheid, met stijve nek.
Hoofdpijn die zes weken had geduurd ; de pijn begon eerst op de kruin, breidde zich daarna uit over de rechterzijde van het hoofd en over het gezicht, met prikkelingen als van naalden in de ledematen van dezelfde zijde ; < in de namiddag.
Hevige drukkende, brandende pijn boven op het hoofd, van binnen naar buiten.
Brandende kruinhoofdpijn tijdens de overgang.
Borende en stekende pijn op de kruin.
Doffe, zeurende pijn in het voorste deel van het hoofd.
Bonzend kloppen in de kruin ; bij elke beweging.
Zwaarte en druk op de kruin.
Bloedstuwing naar het hoofd met andere klachten.
Kloppen in het hoofd door de geringste beweging ; rood gezicht.
Hoofdpijn, met bloedaandrang naar het hoofd.
Drukkende hoofdpijn, met misselijkheid.
Duizeligheid met drukkende hoofdpijn ; < bij bukken.
Hevige hoofdpijn, met flikkeren voor de ogen.
Hoofdpijn in de zon, flikkerend zien.
Hoofdpijn die aan neuscatarrh voorafgaat.
Hoofdpijn : catarraal ; congestief ; door zonnesteek ; hysterisch ; reumatisch ; menstrueel ; epileptisch.
Vreselijke hoofdpijn ; nachtelijke pijn in de ledematen. θ Syfilis.
Pijn alsof gezwollen in de hoek vóór het processus styloideus, < door druk.
Loden zwaar gevoel in het achterhoofd ; kan het 's morgens na het ontwaken nauwelijks van het kussen opheffen, met duizeligheid.
Borende pijn achter het linkeroor, met misselijkheid en braken.
Gevoel achter in het hoofd alsof het uiteen werd gedrukt.
Gevoelloosheid in het achterhoofd, met pijn in het voorhoofd ; bij aanraken van de keel schiet het van de keel naar het achterhoofd ; borst voelt droog aan.
Hoofdpijn van het achterhoofd naar de ogen.
Hoofdpijn om de acht of tien dagen ; tegen de avond pijn achter in het hoofd, aanvankelijk dof en zich geleidelijk concentrerend, scherpe borende pijn achter het linkeroor, blijkbaar op de overgang van slaapbeen, wandbeen en achterhoofdsbeen ; wanneer de borende pijn haar hoogtepunt bereikt, gewoonlijk tegen de ochtend, braken van voedsel en slijm ; steken in de borst.
Gevoeligheid op de kruin, breidde zich geleidelijk uit over de rechterzijde van het hoofd en het gezicht ; dezelfde gewaarwording, met prikkelende pijnen als spelden en naalden, in de bovenste en onderste extremiteiten van dezelfde zijde ; mond zeer pijnlijk ; kan voedsel niet kauwen zonder hevige pijn ; na aandrang tot urineren kan de urine niet ophouden ; hoesten doet urine aflopen ; < in de namiddag, wanneer de gevoeligheid vaak overgaat in een plotselinge, uitschietende pijn in de arm ; laat dingen vallen ; lichte duizeligheid.
Ontstekingstoestanden van de hersenen ; grote vasculaire en nerveuze erethisme.
HOOFD, UITWENDIG [4]
Gevoelloosheid en mierenkruipen aan de linkerzijde van het hoofd, als in de gehele linker lichaamshelft.
Pijnlijke gevoeligheid in de linker slaap, vanaf de kruin naar beneden, en in de linker helft van het gezicht, bij aanraking of bij het bewegen van de spieren; gevoel alsof de huid door de hitte van de zon verbrand was.
Wil het hoofd strak omwikkeld hebben.
Gezwellen die de schedel perforeren.
Plotseling achteroverwerpen van het hoofd. θ Epilepsie.
Verbeterd door het hoofd te schudden.
Purperachtige zwelling; ijlend spreken bij het sluiten van de ogen. θ Erysipelas van de hoofdhuid.
Haar valt uit, < gedurende de zwangerschap; afkeer van de zon.
Verdraagt het niet dat het haar wordt aangeraakt; jeuk van de hoofdhuid.
ZICHT EN OGEN [5]
Overgevoelig voor licht.
Flikkeren voor de ogen, alsof door draden of zonnestralen.
Flikkeren en schokken in het rechteroog, met congestie naar het hoofd.
Flikkeren in eigenaardige hoekige zigzagfiguren, met hoofdpijn.
Heldere blauwe ring om het licht heen, gevuld met vurige stralen.
Nevel voor de ogen ; 's avonds een blauwachtig grijze ring, ongeveer zes duim in doorsnede, rondom het licht.
Wazig zien : veel zwart geflikker voor de ogen, dat heel dichtbij lijkt ; bij het ontwaken.
Slecht gezichtsvermogen, na difterie.
Kortzichtigheid.
Onvaste blik, de ogen rollen doelloos rond.
Ogen zwak en dof, of scheel. θ Tyfus.
Velerlei pijnen en gewaarwordingen in en rondom de ogen, vooral l. ; zeer nerveus ; < door aan de ogen te denken, ze te gebruiken en bij het ontwaken in de ochtend. θ Asthenopie.
Amblyopie, met aandoeningen van long of hart.
Bloedingen in de voorste oogkamer, het glaslichaam, de retina en de choroidea.
Pupillen eerst vernauwd, daarna verwijd. θ Koorts.
Retinitis apoplectica ; bevordert resorptie van bloedingen, beheerst ontstekingsverschijnselen en vermindert de neiging tot retinale extravasatie.
Flyktenulaire keratitis, vooral chronisch recidiverend ; matige roodheid van het oog ; fotofobie.
Scrofuleuze keratitis met eruptie in het gezicht, aanmerkelijke fotofobie en pijn in oog en hoofd, < in de ochtend en na slapen.
Zweertjes op de cornea ; troebeling.
Scherpe, schietende pijnen van de ogen naar de slapen, kruin en achterhoofd.
Steken als van messen in de ogen, komende vanuit het hoofd.
Stekende trekkende pijn in het rechteroog, zich uitstrekkend tot de kruin.
Alsof een draad van achter het ene oog naar het andere werd getrokken.
De ogen voelen alsof ze eruit genomen en samengedrukt zijn, en daarna weer teruggezet ; pijnen < na de slaap ; maakt de patiënt wakker uit de slaap. θ Supraorbitale neuralgie.
Druk in de oogkassen, met gevoel van trekken van de ogen naar het achterhoofd.
Gevoel bij druk op de keel alsof de ogen eruit gedwongen worden.
Stekende, brandende en drukkende pijnen in de ogen.
Jeuk en branden van de ogen.
Ernstige pijnen in en boven de ogen.
Hevige en voortdurende pijn in het linkeroog, de pijn stekend en prikkerig, en soms zich uitstrekkend tot de wenkbrauw ; onzeker, dof gevoel aan de linkerzijde van het hoofd ; duidelijke wazigheid van het zien ; verschrikkelijke hoofdpijn boven de ogen ; 's avonds wijd wakker en zeer spraakzaam ; kon pas laat in slaap komen, en wanneer zij sliep, droomde zij de hele tijd ; afwisselend dromen en ontwaken ; < na de slaap, vraagt angstig waarom het zo is ; grote prostratie ; lijkt geestelijk en lichamelijk uitgeput ; legt voortdurend de bedkleren opzij om verlichting te krijgen, deze leken haar te benauwen ; het lijkt alsof zij 's morgens van uitputting zou sterven ; > in de avond ; hevige pijn in de dij, optredend na het slapen, en wanneer die verdwijnt, een verlamd gevoel achterlatend ; verward gevoel in het hoofd met duizeligheid.
Het oogwit geel. θ Geelzucht.
Orbitale cellulitis, na operatie voor strabismus ; oog uitgepuild ; conjunctiva chemotisch ; purulente afscheiding ; retina troebel en congestief ; punt van de tenotomie in verval en een zwarte vlek in het midden ; < 's nachts.
Pterygium.
Roodheid van de ogen. θ Manie. θ Angina faucium. θ Koortsen.
Ontsteking van ogen en oogleden, met pijn daarin.
Pijnlijke ontsteking van het linkeroog, vaak recidiverend, gekenmerkt door een bundel gestuwde vaten die zich van de binnenooghoek naar de cornea uitstrekt.
Ogen tranen. θ Catarraal hoofdpijn. θ Neuralgie.
Fistula lachrymalis, gepaard gaand met lang bestaande eruptie in het gezicht.
GEHOOR EN OREN [6]
Gevoelig voor geluiden ; suizen en donderen in de oren.
Pijnlijk bonzen, kraken, suizen, trommelen, met nagalm.
Suizen als van insecten in de oren.
De oren voelen alsof zij van binnenuit gesloten zijn. θ Angina syphilitica.
Oren alsof zij verstopt zijn.
Slechthorendheid, met droogheid in de oren, gebrek aan oorsmeer ; gevoelloosheid rond oor en wang.
Na otorrhoe bleef het oor droog en verstopt, met bijna gehele doofheid.
Verminderd gehoor.
Gedeeltelijke doofheid, met droog oorsmeer in het linkeroor ; geluid in het oor als een theeketel ; gevoel van gevoelloosheid rond het oor en langs de linkerwang omlaag ; gevoel van honger elke dag om elf uur.
Verstopping of vernauwing van de buis van Eustachius.
Tegen de avond pijn diep in het linkeroor ; < door beweging van de slaap- of kauwspieren ; verdween na enkele minuten en verscheen juist boven de linker buitenenkel, < bij stappen.
's Nachts oorpijn in het rechteroor, > door uitwendige warmte en liggen op de rechterzijde.
Hinderlijke pulsaties in het oor. θ Carotisaneurysma.
Scheurende pijn uitstralend van het jukbeen naar het oor.
Pijn in de oren met keelpijn.
Oorsmeer te hard, bleek en onvoldoende ; witachtig, als gekauwd papier.
Poliep van de oren.
Gevoeligheid en korsten rond de oren.
Bedreigd abces van de glandula parotis. θ Typhoid.
Oren overmatig gevoelig voor wind.
REUK EN NEUS [7]
Neusbloeding : donker bloed ; bij amenorroe ; vóór de menstruatie ; bij tyfus ; uitblazen van bloed, meestal 's morgens ; sijpelen bij het snuiten ; uit beide neusgaten ; bij het slikken het gevoel alsof de amandelen pijnlijk waren, als van een wond, met stekende pijn door de oren heen.
Nasale, onduidelijke spraak. θ Tyfoïd.
Coryza, voorafgegaan door hoofdpijn ; waterachtige afscheiding, met rode neusgaten, herpes op de lippen.
Coryza, één of twee dagen voorafgegaan door een gevoel van pijnlijkheid, schraalheid en schrapen in de keel.
Korsten in de neus ; roodheid van de neuspunt.
Catarrh met stekende hoofdpijn ; stijfheid van de nek.
Gezwollen neusslijmvlies ; afscheiding van bloed en etter. θ Coryza.
Gevoel van een brok in de keel ; bij het slikken zakt de brok naar beneden maar keert onmiddellijk terug. θ Coryza.
Slijmvlies van de neus verdikt, veel niezen ; een droog, verstopt gevoel in het voorste deel van het hoofd ; trekt geleidelijk naar de fauces en de borst ; aanhoudende, korte, droge hoest, met piepen, het gezicht rood en opgezet, terwijl de ogen bijna uit de kassen gedrukt leken. θ Hooiasthma.
Veel symptomen eindigen in neuscatarrh.
Verstopping van de neus, met gezoem in de oren ; hoofdpijn ; slecht humeur en onvermogen om te drinken.
Klachten na onderdrukte coryza.
Niet volledig ontwikkelde coryza met hoofdpijn en geestelijke bezorgdheid.
Dikke, gele afscheiding in de ochtend, soms met bloedstrepen, kwalijk riekend ; keelschrapen ; afzakken van slijm vanuit de achterste neusopeningen ; alleen links ; afscheiding van een harde slijmprop. θ Chronische neuscatarrh.
Etter en bloed uit de neus.
Afscheidingen kwalijk riekend, saniesachtig, de neusgaten en lippen invretend.
Plotselinge afscheiding van etter en bloed uit de neus, als uit een openbarstend abces, schijnt uit de voorhoofdsholten te komen. θ Ozæna syphilitica.
Pijnlijkheid van neusgaten en lippen.
Inwendige pijnlijkheid van de neus, en de neus gevuld met korsten. θ Mercurio-syfilitische gevallen. θ Dronkaards.
Ontsteking van de neus met puistjes en blaasjes.
Neus spits, roodachtig, alsof hij pijnlijk was, en steeds wat vloeiende coryza. θ Angina syphilitica.
Rode neus van dronkaards.
Blaasjesuitslag rond de neus.
BOVENSTE GELAATSHELFT [8]
Uitdrukking: van pijn, met sopor; idiotisch; epileptisch; verwrongen; verwilderd.
Gelaatstrekken verwrongen, gezicht donker en sterk gezwollen, zag er bijna uit als bij een apoplectische aanval; had alles van zijn nek verwijderd en zei dat hij niet kon verdragen dat iets die aanraakte; kon nauwelijks ademen. θ Bijensteek.
Verwilderd uiterlijk, gezicht van onnatuurlijke kleur, wangen geel, met zichtbare sporen van rode vaatjes en plekken met begrensde roodheid; neus spits en rood, alsof rauw van een wond; neus altijd verstopt.
Gezicht bleek: bij flauwvallen; hoofdpijn; vóór een epileptische aanval.
Blauwe kringen rond de ogen.
Gelaatskleur diep geelbleek. θ Scarlatina.
Gele gelaatskleur, vermiljoenrode wangen, of kleine rode bloedvaatjes die door de huid heen schijnen. θ Syfilis.
Aardse, livide, cachectische gelaatskleur. θ Abdominale klachten.
Blauwachtig, paarsachtig aanzien van het gezicht, onvermogen iets rond de nek te verdragen; cerebrale symptomen. θ Scarlatina.
Gezicht niet rood, maar zeer livide en blauwachtig. θ Kraamvrouwenkoorts.
Blauw gezicht en blauwe lippen. θ Emfyseem.
Livid gezicht. θ Metritis.
Gezicht gezwollen. Manie.
Rood gezicht, als bij apoplexie; opgeblazen, rood, met hoofdpijn, pijn in ledematen, maag, enz.
Opwellingen van warmte. θ Bij drinkers. θ Climacterium. θ Obstipatie. θ Onderdrukte menstruatie.
Eén wang rood, de andere bleek.
Ernstige pijn, beginnend in de rechter binnenooghoek en zich omhoog en naar buiten uitbreidend in een halve cirkel, juist boven de wenkbrauwboog; dof en zwaar, en belemmert hem te werken; begint om 9 uur 's morgens en verdwijnt in de namiddag; huid uiterst gevoelig voor aanraking. θ Neuralgie.
Neuralgie, linkszijdig, orbitaal; opstijgen van warmte naar het gezicht vóór de aanval, en een zwak gevoel in het abdomen na de aanval.
Neuralgie van de nervus trigeminus; afschuwelijk; warmte die vóór de aanval naar het hoofd opstijgt; zwak, nerveus gevoel in het abdomen tijdens de tussenpozen.
Scheurende pijn in de gehele linkerzijde van het hoofd, van de slaap omlaag tot aan het sleutelbeen, zo hevig dat de tranen voortdurend vloeien; < 's nachts; articulatie bijna onmogelijk; wanneer de tong wordt uitgestoken helt zij naar de aangedane zijde; pijnlijke vermoeidheid van hoofd, nek en gezicht; de tong voelt alsof zij ingesnoerd of vastgebonden is. θ Neuralgie.
Gevoel van warmte die naar het hoofd opstijgt, gevolgd door scheurende pijn die in het voorhoofd begint, maar vooral het l. jukbeen en de delen onder het linkeroog aantast, zich af en toe uitbreidend tot in het oog en tranenvloed veroorzakend; de aanval duurt verscheidene uren, verdwijnt dan voor een dag of twee en keert dan zonder enige oorzaak terug; zwak gevoel in het abdomen op de klachtenvrije dagen.
Gevoel van stijfheid in het jukbeen vanuit de halsklieren.
Linkerzijde van het gezicht en de onderkaak gezwollen, gevoelig voor aanraking.
Wangen gezwollen, huid gespannen, heet en strak, alsof zij zou barsten. θ Peritonitis.
Bovenlip en neus enorm gezwollen; oppervlak niet veranderd van natuurlijke kleur; het aanzien is dat van opgezetheid, maar hard aan te voelen, sterk gelijkend op een zwelling door een bijensteek of door een slag; de vermiljoenrand van de lip iets blauwer dan normaal; geen pijn of warmte; menstrueert.
Erysipelateuze eruptie onder het linkeroog, die eerst 's nachts jeukt; zij werd wakker met schrik om kleinigheden; 's morgens begon de huid rood te worden en te zwellen, en werd < na een middagslaap; de volgende morgen zeer dik en rood, met onophoudelijke jeuk die nauwelijks te verdragen was; het gehele onderooglid gezwollen, rood en jeukend.
Erysipelateuze zwelling van het gezicht; rechteroog bijna gesloten.
Erysipelas begon dicht bij de linkerzijde van de neus, in een rode, rauwe plek; daarna werd het roder en breidde het zich op en neer uit over de l. zijde van het gezicht; het strekt zich uit tot aan het linkeroog en is donkerrood-blauw; zij voelt zich slap.
Erysipelas van het gezicht bij een kind van een jaar oud; ontsteking waarbij de behaarde hoofdhuid gedeeltelijk betrokken is; op de tweede of derde dag dreigende metastase naar de hersenvliezen; krampige verstijving van de penis van het kind.
Gezicht gezwollen, blauwrood of loodkleurig; tong droog, glanzend, trillend; < van de middag tot middernacht. θ Erysipelas door een wond bij dissectie.
Erysipelas van het gezicht, met branden en jeuk, < na de siësta; bonzende hoofdpijn.
Eruptie in het gezicht gevolgd door blauwachtige vlekken.
Branden, zwelling, roodheid en hevige jeuk in het gezicht 's nachts; later kloven als bij tetter, met sijpeling.
Herpes facialis.
Jeuk in het gezicht.
ONDERGEZICHT [9]
Trekkende, scheurende, kloppende, borende pijn in de kaakbeenderen.
Bij het openen van de mond kraken de submaxillaire gewrichten en zijn gevoelig alsof zij gezwollen waren.
Grote moeite om de kaken te openen. θ Angina faucium.
Onderkaak hangt omlaag. θ Coma. θ Tyfus.
Schuim op de mond. θ Epilepsie.
Lippen droog, zwart, gebarsten, bloedend. θ Difterie. θ Koortsen.
Enorme zwelling van de lippen.
Furunculeuze vorming op de lippen, pijn en erysipelateuze areola ; snel en overmatig krachtsverlies, zodat de patiënt in vierentwintig tot zesendertig uur van volle kracht tot volslagen prostratie wordt teruggebracht. θ Miltvuurpustel.
Bof, vooral links ; enorm gezwollen, gevoelig voor de minste aanraking ; de geringst mogelijke druk veroorzaakt hevige pijn ; krimpt telkens ineen wanneer men nadert ; kan nauwelijks slikken ; buitengewoon prikkelbaar ; keel inwendig pijnlijk ; gezicht rood en gezwollen ; ogen glazig en wild.
Dreigend abces van de submaxillaire klier. θ Buiktyfus.
Submaxillaire en cervicale klieren gezwollen. θ Difterie.
Rode etterende vlekken onder de kaak.
TANDEN EN TANDVLEES [10]
Tanden voelen te lang aan bij het op elkaar bijten.
Jaagende, rukkende, scheurende, dof stekende pijn in de wortels van de onderste tanden, door de bovenkaak tot in het oor ; periodiek, na het ontwaken uit de slaap ; spoedig na het eten ; door warme en koude dranken.
Borende, rukkende, trillende, trekkende, scheurende, snijdende, stekende, bonzende, pulserende pijnen in de tanden.
Tandpijn : door eten ; door bijten ; door iets warms ; door het drinken van warme of koude dranken ; tijdens de menstruatie ; bij het ontwaken ; door nat worden ; in de lente ; in de zomer ; > door uitwendige warmte ; door het reinigen van de tanden ; met rillerigheid, hitte, dorst ; bij personen die te veel kwik hebben gebruikt ; met hoofdpijn ; met zwelling van de wang ; tanden te lang, stomp.
Holle tanden voelen te lang aan.
Pijn in alle bedorven tanden tijdens bloedaandrang naar het hoofd.
Afbrokkelen van de tanden.
Tandvlees gezwollen en sponsachtig ; bloedt gemakkelijk.
Uitpuilend tandvlees, donkerpaars. θ Tanddoorbraak.
Tandvlees blauwachtig, gezwollen, bloedend ; zeurende pijn < door warme dranken. θ Gele koorts.
Bloeding uit het tandvlees.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Zure smaak ; alles smaakt zuur.
Trage, moeilijke spraak, de tong is zwaar, kan de mond niet wijd openen ; kan sommige woorden niet uitspreken.
Erger door spreken.
Stotteren : bij de letters s, b, t en w.
Stotteren bij een kind, æt. 4 ; tijdens het spreken trekt het gezicht scheef ; sluit het rechteroog of beide ogen, opent de mond wijd of sluit hem.
Het stotteren treedt op bij het tweede of derde woord, of gedurende een hele zin helemaal niet ; het schijnt dat p, v en a de meeste invloed hadden.
Steekt de tong met moeite uit ; de tong beeft.
Moeite met het bewegen van de tong, met onmogelijkheid de mond wijd te openen.
Tong : slap in de mond hangend ; gezwollen, wit beslagen ; papillen vergroot ; droog, rood, aan de punt gebarsten ; rode punt en bruin midden ; landkaarttong ; gevoel alsof zij zou afschilferen ; droog, zwart en stijf ; punt gebarsten en bloedend ; dieprode kleur ; een droge streep in het midden ; voorste helft rood, glad en glanzend ; zwart en bloederig ; zweertje aan de linkerzijde, met hier en daar stekende pijnen ; kieteling aan de wortel, die hoest opwekt ; blaasjes rond de punt.
Blaasjes op de ontstoken tong, die in zweren overgaan, met dreigende verstikking ; gangreen van de tong, aan beide randen.
Afteuze zweertjes op de tongpunt ; aphthæ.
Glossitis met kieteling die hoest opwekt.
Kanker van de tong.
MONDHOLTE [12]
Vieze geur, stank, uit de mond. θ Stomatitis.
Gevoel in het gehemelte alsof het slijmvlies aan het afschilferen was.
Een zakvormige zwelling vlak voor de huig, zeer zacht, alsof zij pus bevatte. θ Na difterie.
Brandende pijn in de mond met zwelling van de lippen en het tandvlees.
Droogheid in de mond met dorst.
Droogheid van mond en keel, gepaard gaand met een aanhoudend gevoel in het zachte gehemelte alsof afschilfering op het punt stond op te treden. θ Hysterie.
Veel slijm in de mond, met vlokken bloed van walgelijke smaak en geur.
Speeksel rijkelijk en taai. θ Scarlatina.
Voortdurende speekselvloed, die het spreken vaak belemmert ; hoest ; expectoratie ; als deze laatste na het avondeten optreedt, braakt zij vaak haar voedsel.
Speekselvloed met keelschrapen en hoesten. θ Syfilitische zweren in de keel.
Veel slijmerig speeksel, vooral in het achterste deel van de mond.
Afteuze en ontvelde plekken in huid en vlees van de mond, voorafgegaan door brandende pijn en rauwheid.
Mond zeer pijnlijk, uitgedroogd en droog, en tong enigszins gezwollen en aan beide zijden met blaren bedekt.
Kan voedsel na het kauwen niet doorslikken, omdat het op het achterste deel van de tong blijft liggen en daar een trillende pijn veroorzaakt. θ Cancrum oris.
Pijnlijke mond tijdens het zogen ; zwelling van tong en lippen, vooral de onderlip ; roodheid en branderig gevoel van tong en lippen ; roodheid en zwelling van het tandvlees ; soms een droog, glanzend aspect van het ontstoken oppervlak, dan weer waren de delen vochtig door vermeerderde speekselsecretie op de onderlip kleine witte plekjes, die spoedig samenvloeiden en een aaneengesloten witte plek vormden ; zweren aan de zijkanten van de tong ; ten slotte misselijkheid en braken, gevolgd door dunne ontlasting ; verlies van eetlust ; onvermogen voedsel tot zich te nemen door extreme gevoeligheid van mond en tong, en maagklachten nadat voedsel was ingenomen ; vermagering ; zwakte ; soms overvloedige transpiratie ; bleek, ingevallen gelaat.
Pijnlijke mond in het laatste stadium van phthisis.
Syfilitische ulceratie van mond en keel.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Keel en hals gevoelig voor de geringste aanraking of uitwendige druk; alles rond de keel is ondraaglijk, zelfs het gewicht van de dekens.
Als in de avond bij het gaan liggen iets de keel of het strottenhoofd aanraakt, lijkt het alsof hij zou stikken en is de pijn veel <.
Verdraagt niets straks om de keel; daardoor ontstaat soms misselijkheid.
Pijn in de keel bij het vastpakken ervan, uitstralend zelfs tot in de nek, met steeds steken bij het slikken, en schrapen bij het doorslikken van brood, alsof alles rauw was; droogheid van de keel, zonder werkelijke droogheid van de tong.
Huig verlengd; keelopening purperachtig, gezwollen, geülcereerd.
Huig verlengd, voortdurende neiging om te kuchen en te schrapen; kriebelhoest; purperachtige kleur van de keelopening; tonsillen slechts weinig vergroot; vermagering; gezicht bleek en ingevallen; slaap onderbroken; eetlust en krachten verminderd; gevoel alsof de delen gezwollen waren; enige pijn bij het slikken en vaak het gevoel alsof een kleine broodkruimel in de keel vastzat. θ Chronische prikkelbaarheid van de keelopening.
Zachte gehemelte, gehemeltegewelf en tonsillen sterk gezwollen en helderrood. θ Angina faucium.
Voortdurend gevoel alsof er iets in de keel zit dat doorgeslikt moet worden.
Gevoel van een brok in de keel; verstikkingsgevoel; bij het slikken zakt de brok naar beneden, maar komt meteen terug.
Gevoel alsof er een brok in de keel zit; wordt uit de slaap wakker, benauwd en ongelukkig, alsof door ademgebrek; θ Hysterie.
Gevoel van een bal in de keel, of alsof een knoop vastzit in het kuiltje van de keel; niet merkbaar bij het slikken van voedsel, maar wel bij een slikpoging, en daarbij lijkt het op en neer te gaan, alsof het wordt omgedraaid; het voelt steeds alsof zij het zou kunnen opbrengen, maar het komt niet; moet de hele hals onbedekt hebben.
Pijn alsof er iets in de rechterzijde vastzit, stekend; de brok beweegt naar de maag.
Krampachtige samentrekking van de slokdarm.
Voortdurend kietelen in de keel.
Er blijft iets in de keel steken, veroorzaakt kuchen, maar komt niet los.
Veel slijm in de keelopening; bij het openen van de mond vormt het grote bellen.
Veel opkuchen van slijm, wat buitengewoon pijnlijk is.
Vol gevoel en pijnlijkheid in de keel. θ Tonsillitis.
Gevoel van een pijnlijke samentrekking, alsof toegebonden, bij poging om te eten. θ Angina faucium.
Gevoel alsof een broodkruimel in de keel is blijven steken, waardoor zij moet slikken, enigszins > door op te kuchen.
Gevoel in de keel alsof een hapje bij het slikken is blijven steken.
Gevoel van een richel aan beide zijden van de keel; voortdurende neiging om speeksel te slikken; zijkanten van de keel uitwendig drukgevoelig.
Gevoel als van een slang in de keel, pijnlijkheid in de linkerzijde van de keel, met verstikking als door een bal; droogheid < na eten; kietelen en oprisping van voedsel; winderige oprispingen; steek in de rechterzijde bij het lopen; keel < door tocht.
Krampachtige vernauwing bij het slikken van vast voedsel, veroorzaakt worstelen doordat het "in het verkeerde keelgat schiet", gevolgd door kokhalzen.
De keel voelt geülcereerd aan bij het slikken.
Voortdurende pijn bij leeg slikken, niet bij het slikken van voedsel.
Moeite met het slikken van speeksel, niet van voedsel.
Vloeistoffen geven meer slikmoeilijkheid dan vaste stoffen; zij komen door de neus terug.
Kan geen zoete of scherpe dingen slikken. θ Syfilis.
Gevoel van droogheid in de keel, met neiging om te slikken.
Voortdurende neiging om te slikken. θ Tonsillitis.
Sterke neiging om te slikken, hoewel dit zeer pijnlijk is, met krampachtige samentrekking van de keel; < aan de linkerzijde en na de slaap; verdraagt geen enkele druk rond de hals.
Pijn in de keel, uitstralend naar de oren; neiging om te slikken; < bij deglutitie; keelholte gezwollen, donkerrood.
Droogheid in de keel: zonder dorst, 's nachts bij het ontwaken; steken als met duizend naalden die haar dreigen te verstikken; belemmert het slikken.
Pijn op een kleine plek in de keel aan één zijde van het strottenhoofd, iets meer naar achteren.
Keel en strottenhoofd pijnlijk bij het achteroverbuigen van het hoofd.
Bij het gaan liggen pijn boven in de keel.
Pijn in de linkerzijde van de keel, uitstralend naar tong, kaak en tot in het oor.
Pijnen in de keel, samenhangend met die in de oren.
Gevoeligheid van de keel alsof rauw, als na vatten van koude, met pijn in de linkerzijde, < in de avond.
Opkuchen van slijm, met rauw gevoel in de keel, na een dutje overdag.
Veel slijm in de keelopening, met pijnlijk opkuchen.
Alles voelt rauw aan in de keel.
Branderig gevoel van zwelling; droogheid in de keel.
Samensnoering, droogheid, steken en grote rauwheid van de keel, vooral van keelholte en strottenhoofd, met koude rillingen en huiveringen. θ Faryngitis.
Mond en keel worden zo droog dat de poging om ze na het slapen te bevochtigen de patiënt doet grijnzen en de tranen doet opwellen. θ Typhus abdominalis.
Plotseling gevoel alsof een visgraat in de keel was blijven steken, en enkele dagen later met toenemend ongemak het gevoel alsof er een spons in de keel hing; leek de ademhaling te belemmeren, voelde alsof hij het kon opkuchen, maar de poging gaf pijn en hielp niet; het voelde alsof er een kleine droge plek was vanwaar pijn naar het oor uitstraalde; voortdurende neiging om te slikken, geen pijn bij het slikken van voedsel maar wel bij leeg slikken en bij uitwendige druk; wanneer hij op de keel drukt voelt het alsof de ogen uit het hoofd zouden springen, en uitwendig alsof hij een slag op de hals had gekregen; tussen borstbeen en stemspleet een kloppend, verstikkend gevoel; keel > in de ochtend, begint twee of drie uur na het opstaan en houdt aan tot de avond.
Gevoel van belemmering in de keel bij het slikken, om de andere dag, eerst aan de rechterzijde; hitte en schrijnend gevoel in de linker keel, met hese stem, elke dag omstreeks 11 uur 's avonds; < bij het ontwaken in de ochtend, verdwijnt omstreeks 11 uur 's morgens.
Keelpijn, met heesheid, gevoel als van een brok in de keel, ontsteking diep rood; lichte hoest.
Eerst de rechter tonsil aangedaan, daarna de linker.
Pijn, vooral in de rechterzijde van de keel, < door druk, alsof daar een dikke substantie zat; het voelt zeer droog aan; geen moeite met het slikken van vast voedsel, maar vloeistoffen kunnen niet gemakkelijk worden doorgeslikt en worden bij het slikken in de neus geperst; pijnen < wanneer zij zich 's morgens wast en na slapen overdag; pijn > in de namiddag; op dat tijdstip wordt de keelkwaal zo duidelijk uitgesproken, zonder pijnlijk te zijn, dat spreken onmogelijk wordt.
Rauwheid en slikmoeilijkheid, met gevoel van krampachtige vernauwing rond de keel. θ Epidemische faryngitis en laryngitis.
Slikken vermeerdert de pijn in de oren of jaagt pijn naar de oren. θ Tonsillitis.
Bij poging om te slikken gaan vloeistoffen door de neus. θ Angina faucium. θ Tonsillitis. θ Syfilis.
Koude rillingen en misselijkheid, gevolgd door hitte-opwellingen en verschrikkelijke verstikking, alsof iemand zijn luchtpijp tussen duim en vingers samendrukte. θ Faryngitis.
Pijn in het hoofd, < door licht, geluid en hitte; ogen rood en pijnlijk; grote pijn in rug en ledematen, liet haar niet rustig liggen, staan of zitten, zij moest vaak van houding veranderen; koorts, met droge mond; keelpijn aan de rechterzijde, met roodheid en zwelling van de rechter tonsil, uiteindelijk overgaand naar de l. zijde; pijn in de ledematen.
Pijnlijkheid van de keel, beginnend aan de rechterzijde en overgaand naar l., waar zij zich vastzet.
Jongen, æt. 8; zeer erge keelpijn, afschuwelijke pijnen door heel het hoofd, van achter en van voren, zo duizelig dat hij niet kon staan, moest van school worden gedragen, kon de letters in zijn boek niet zien, viel tegen de muur.
Pijn in de keel straalt uit naar de oren, die verstopt aanvoelen.
Ontstoken zwelling aan de linkerzijde van de keel, zich uitbreidend over het oor, dreigende sferacelus.
Phlegmoneuze ontsteking van de keel.
Angina crouposa of nervosa bij kinderen of vrouwen in het climacterium.
Chronische
angina met periodieke verergeringen.
Kinderen spuwen veel speeksel bij keelpijn.
Leeg slikken is verschrikkelijk pijnlijk. θ Angina.
Keel- en mondpijn na roodvonk; bijna totale onmogelijkheid om te slikken; vloeistoffen gemakkelijker doorgeslikt dan vaste stoffen.
Gevoel van een grote brok achter in de keel; soms gevoel alsof iemand hem bij de keel greep, met een gevoel van verstikking; misselijkheid, kokhalst alsof hij de brok zou uitbraken; lichte pijnlijkheid achter in de keel bij het slikken van speeksel; r. zijde van de hals gevoelig bij aanraking; slikt vaak speeksel, waardoor de brok groter lijkt te worden en hoger op te stijgen; drukkend gevoel midden in de keel; moet de keel schrapen voordat hij kan spreken; alle symptomen < bij het ontwaken in de ochtend. θ Angina.
Onvermogen om te slikken, waarbij vloeistoffen door de neus terugkomen; keelopening helderrood, tonsillen sterk gezwollen; gezicht bleek; kleine, harde en zeer frequente pols; volledige aphonie, voortdurende poging om te huilen alleen hoorbaar als een hijgende klank; grote uitputting, hoofd hangt slap achterover, kon nauwelijks een ledemaat bewegen; slijmvlies van de keel uiterst bleek en bedekt met witte flarden exsudaat; dysfagie, blijkbaar paralytisch.
Na vatten van koude, ontsteking en zwelling van de tonsillen; velum palati en tongwortel ontstoken; speekselvloed en foetor oris; slikken bijna onmogelijk, alles komt door de neus terug; kan nauwelijks spreken; gevoel alsof de keel gevuld is met een brok die verstikking dreigt te veroorzaken; liggende houding onmogelijk; geen slaap.
Angina, plotseling beginnend, elk jaar terugkerend, met grote pijn en eindigend met ettering van de tonsillen; velum palati, huig en achterwand van de keelholte rood, gezwollen en ontstoken, aan beide zijden uitpuilend; voortdurende neiging om te slikken, wat moeilijk is.
Gevoel van volheid en rauwheid in de keel; vaak neiging om te slikken, wat pijn veroorzaakt die diep in het oor uitstraalt; vloeistoffen worden door de neus uitgestoten, met grote angst voor verstikking; tandvlees, tonsillen en huig donkerrood en gezwollen, de laatste alsof samengedrukt en naar achteren gedrongen; grote hoeveelheid slijm in de mond, dat grote bellen vormt wanneer de mond wordt geopend. θ Tonsillitis.
Keelopening ontstoken; rechter tonsil gezwollen; linker tonsil eerst aangetast. θ Tonsillitis.
Tonsillen gezwollen, links < met neiging naar rechts; onvermogen om te slikken, dreigende verstikking; of bij het slikken schiet de pijn in het linkeroor; verdraagt niet dat iets de hals aanraakt.
Gezwollen, congestieve tonsillen, met op elk kleine gele vlekjes; grote slikmoeilijkheid, met pijn aan de linkerzijde, overgaand naar rechts en omhoog naar het oor; hitte en koude rillingen, afwisselend; begint < te worden om 4 uur 's middags. θ Tonsillitis.
Linkerzijde; verslikken bij het drinken, vloeistoffen worden door de neus naar buiten gedreven; < in de namiddag, na slaap, door de geringste aanraking; verdraagt geen beddengoed bij de hals. θ Quinsy. (Obs. Bij quinsy is er geen middel dat zo vaak werkzaam is om de aanval in het begin te breken, noch om in latere stadia de oplossing te bevorderen. --C. Hering.)
Chronische vergroting van de tonsillen.
Afstotende zweer in de keelopening, vanuit een abces in de linker tonsil.
Talrijke witte plekken op een bleekrood oppervlak in de linker keel; zweren op de slijmvliezen; beide parotiden sterk gezwollen, zonder veel pijn; pols frequent en hard.
Rechter tonsil gezwollen; huig verlengd en tegen de rechter tonsil aanklevend; tussen beide een gelig-wit, deels vloeibaar exsudaat, zonder bijzondere neiging tot membraanvorming; keelopening rood; hoofdpijn; koorts; dorst; pijnlijk slikken; vergrote submandibulaire speekselklieren; kwellende dorst. θ Diphtheritis.
Bleek, benauwd gezicht, blauwe kringen rond de ogen; uiterste uitputting; spreken en slikken moeilijk; keelopening bleekrood; witte flarden exsudaat op keelopening en gehemeltegewelf; ook zweren met witte randen, duidelijk onderscheiden van de exsudaatplekken. θ Diphtheritis.
Gehemeltegewelf, tonsillen en mondholte bleekrood; taai, geelwit membraan op de linker tonsil.
Pijn en pijnlijkheid beginnen aan de linkerzijde van de keel. θ Tonsillitis. θ Difterie.
Overmatige gevoeligheid van de keel voor uitwendige druk. θ Tonsillitis. θ Difterie.
Verergering door warme dranken; vloeistoffen doen meer pijn dan vaste stoffen bij het slikken. θ Tonsillitis. θ Difterie.
Gezicht ziekelijk, bleek; donkere kringen rond de ogen; slikken buitengewoon pijnlijk; spreken moeilijk; zwakte buitengewoon; keelopening bleekrood; wit exsudaat op tonsillen en velum, ziet eruit als zweren van het slijmvlies met witte randen; gemoed terneergeslagen. θ Difterie.
Ernstige pijn in het voorhoofd, overgaand in kloppende pijn op de kruin bij het aannemen van een rechtopstaande houding; duizeligheid bij fixeren van de ogen op een plek aan de muur; ernstige pijn in de ledematen, < rond knieën en ellebogen; vlees pijnlijk, < bij bewegen van de ledematen; matheid; valt bijna flauw bij het opstaan; drukgevoeligheid en pijn in het epigastrium; misselijkheid, gebrek aan eetlust, beslagen tong met geel, vuil beslag; onaangename smaak; tonsillen gezwollen; plekken difterisch membraan van een halve duim breed, vuilgrijs van kleur, op de tonsillen en naar beneden buiten zicht doorlopend; begon aan de linkerzijde, die het pijnlijkst is, < na slapen of spreken; huid soms heet en droog, dan weer vochtig; pols 90. θ Difterie.
Voortdurend delier, wisselt snel van het ene onderwerp naar het andere; praat, zingt of fluit voortdurend; maakt vreemde bewegingen met de rechterarm, alsof hij naar iets reikt; keel gevuld met donkergekleurd membraan, dat zich van links naar rechts ontwikkelde; geen slaap gedurende tweeënzeventig uur, maar gedurende de laatste twaalf uur af en toe in een lichte slaap gevallen, gevolgd door verergering van alle symptomen; sterk ruikende stoelgangen; urine hoog gekleurd en sterk van geur; lichaam bedekt met blauwrode uitslag, rond en verheven. θ Difterie.
Ontsteking en membraan beginnen aan de linkerzijde; uitwendige zwelling van de keel; ondraaglijke stank; beneveld gelaatsuitdrukking; temperatuur 104 tot 105 graden; pols 140; epistaxis, meerdere malen per dag, van veneus bloed; diarree van zwartachtige feces; kon niets warms drinken; voortdurend mompelend delier; afscheiding van gelig slijm uit de neus, eerst uit het linker neusgat. θ Difterie.
Keelpijn, doet pijn bij het slikken, met slikmoeilijkheid; vloeistof; vloeistof loopt door de neus naar buiten; afkeer van aanraken of onderzoeken van de keel; blozend gezicht; snelle pols; ademhaling belemmerd; membraan begint op de linker tonsil en in de keelholte, strekt zich uit naar de huig en de rechterzijde. θ Difterie.
Hevige pijn in de keel, gezwollen tonsillen, koorts, hitte; aanmerkelijk exsudaat in de choanen; bij niezen wordt een taaie, vliezige substantie uit de neus geblazen. θ Difterie.
Difterische afzettingen vertonen zich eerst op de linker tonsil, breiden zich vandaar uit naar de rechterzijde en verspreiden zich daarna verder; de nek is stijf, of de uitwendige keel is pijnlijk en zeer gevoelig bij aanraking; patiënt hoest en voelt zich < bij het ontwaken uit de slaap; expectoratie zeer moeilijk en schaars; grote spraakzucht, alleen geremd door heesheid. θ Difterie.
Keel van binnen en buiten sterk gezwollen; afscheiding uit neus en mond van een uiterst stinkende en excorierende vloeistof; keelopening bedekt met difterisch membraan; pols 110, klein; extremiteiten gevlekt en livide; slikken bijna onmogelijk. θ Difterie.
Purperachtige
uiterlijk van het slijmvlies van lippen, mondholte en keel; difterische plek zo groot als een speldenknop op de linker tonsil; tong spits en purperachtig; pols zwak, 132; huid heet; schaarse urine, vuil van kleur en bevattend albumine; darmen verstopt; vier dagen later beide submandibulaire speekselklieren sterk gezwollen; vloeien van scherpe afscheiding uit neus en mond; difterische stank; keel en zelfs lippen bedekt met dikke, grijze membranen. θ Difterie.
Difterie; membraan bedekt tonsillen en achterste deel van de keel; aanmerkelijke pijn bij het slikken; pijn < bij draaien van het hoofd, aanraken van de hals en bij ontwaken uit de slaap; slaap verstoord door droogheid van de mond en een gevoel alsof hij zou stikken.
Zwelling van de keel gering en roodheid van het slijmvlies nauwelijks merkbaar; difterische afzettingen in twee of drie kleine plekjes nauwelijks groter dan een speldenknop; krachtsverlies zeer alarmerend; trage, zwakke en samengedrukte pols; koud, klam zweet bedekte vaak voorhoofd en extremiteiten; adem foetide; eetlust verdwenen; patiënt raakte met alarmerende snelheid in een volledig asthenische toestand - soms was de uitputting al zeer aanmerkelijk voordat plaatselijke verschijnselen van ziekte konden worden vastgesteld. θ Epidemische difterie.
Difterische plekken in de keel, zich uitbreidend van links naar rechts; foetide adem; < na slaap; grote zwakte, zwakke pols; klam zweet; hoofdpijn en flauwte.
Purper-livide kleur van de aangedane delen, met dof, droog uiterlijk en weinig zwelling, ook pijn geheel buiten verhouding tot de mate van ontsteking. θ Difterie.
De keel verstierf snel en vertoonde een blauwachtige tint.
Meisje, æt. 8, keel van binnen en buiten sterk gezwollen; afscheiding uit neus en mond van een uiterst stinkende en excorierende vloeistof; keelopening bedekt met difterisch membraan; pols 110, zeer snel en klein; extremiteiten gevlekt en livide; slikken bijna onmogelijk; stank bijna overweldigend. θ Difterie.
Aan de linkerzijde van de keel verschillende witte exsudaatplekjes; slijmvlies bleekrood; parotiden gezwollen; pols frequent, hard; grote apathie; slaperigheid, hangende oogleden.
Zeer moeilijk slikken; volledige aphonie; piepende, sissende klank in plaats van natuurlijk huilen; overmatige zwakte; laat het hoofd hangen; heft de ledematen nauwelijks op; keelopening bleek, bedekt met wit exsudaat. θ Difterie.
Velum, tonsillen en achterwand van de keelopening bleekrood; op de l. tonsil taai, geligwit exsudaat. θ Difterie.
Eigenaardige harde pijn overal, in hoofd, rug en benen; kon niet stil liggen, maar veranderde voortdurend van houding. θ Difterie.
Membraanachtige afzetting in de choanen; bij niezen afscheiding van een vliezige substantie uit de neus. θ Difterie.
Een grijsachtige ulceratieve korst verscheen eerst op de tonsillen, breidde zich uit over de amandelboog naar de achterste neusgangen, soms naar beneden tot in het strottenhoofd, waardoor verwurging ontstond. θ Difterie.
Tonsillen zo gezwollen dat zij elkaar bijna raken, en bedekt met een taaie, kaasachtige substantie; koortsig en zeer neerslachtig. θ Difterie.
Linker tonsil één volledige zwarte afstoting, ziekte overgaand naar de r. zijde. θ Difterie.
Pols 130; huid heet en droog; gezicht zeer rood; slaperig; mompelend delier; grijsachtig membraan ontwikkelde zich van l. naar rechts θ Difterie.
Subjectieve symptomen veel duidelijker op de voorgrond dan objectieve; klachten, vooral slikken, veel heviger dan men op grond van de uitgebreidheid van de ziekte zou vermoeden; gevoel als van een vreemd lichaam in de keel, met steken uitstralend naar het oor; aandrang om te slikken en verlangen iets op te kuchen, met aanvallen van verstikking; stem zwak en hees; hoest, die pijn in de keel veroorzaakte, werd onderdrukt, daarom klonk hij kort en gedempt. θ Difterie.
Constitutionele symptomen geheel buiten verhouding tot lokale verschijnselen, uitputting reeds aanzienlijk voordat er plaatselijke aanwijzingen van ziekte konden worden vastgesteld. θ Difterie.
Difterische ontsteking van de keel; zweren op de tong; ettering van de halsklieren; pleuritische, pericarditische en algemene waterzucht bij vertraagde desquamatie, met grote benauwdheid; urine bijna zwart; stoelgangen sterk riekend; koorts < in de namiddag. θ Scarlatina.
Gevoeligheid van de aangedane delen toegenomen en hun beweeglijkheid wezenlijk verminderd. θ Difterie.
Na difterie spraak gestoord; sommige woorden kon zij niet articuleren, omdat na een paar minuten spreken een gordijn leek neer te vallen voor haar keelholte; tanden voelen alsof ze vastgeklemd zitten; tong voelt alsof zij verbrand is; kan niet geeuwen wegens scherpe pijn rond de tongwortel; bij snel eten blijft het voedsel in haar keel steken; pijn boven de ogen en pijnlijk gevoel in de oogbollen.
Zweren in de keel: < bij vochtig weer; na kwik; door syfilis; breiden zich uit in de achterste neusgangen; keel droog, wordt wakker met verstikkingsgevoel; zachte gehemelte vol littekens, met groenig gele zweren ertussen; schietende pijnen; foetide adem.
Mercuriële syfilis, met geülcereerde keelpijn, die voortdurende prikkeling tot hoesten veroorzaakt, met kokhalzen; pijnlijk slikken; terugvloeien van drank door de neus; aardse, gelige gelaatskleur, met kleine rode bloedvaten die door de huid heen schijnen; coryza, neus pijnlijk; verschrikkelijke hoofdpijn; nachtelijke pijnen in de ledematen. θ Syfilis.
Syfilitische phagedaena van zachte gehemelte en keelopening.
Gangreneuze keelpijn.
Secundaire ulceratie van de keel, zich uitbreidend in de achterste neusgangen; obstructie van de neus; kwalijke geur uit de mond; stekende en schietende pijnen in de zweren; overmatige droogheid van de keel, pleksgewijs; keel voelt bij het ontwaken volledig "uitgedroogd"; aanraken van de keel veroorzaakt verstikkingsgevoel; gevoelig voor de geringste beweging van de hals; symptomen enigszins > na eten. θ Syfilis.
EETLUST, DORST. VERLANGEN, AFKEER [14]
Honger, kan niet op eten wachten.
Nu eens goede eetlust, dan weer helemaal geen.
Aanhoudende dorst, met droge tong en droge huid.
Sterk verlangen naar drinken, maar bang om te drinken, omdat het een ontlasting opwekt. θ Diarree.
Onlesbare dorst, met afkeer van drinken.
Elke avond om 10 uur, met dringende en onlesbare dorst, droogheid in keel en mond, kan van dorst nauwelijks ademen, moet de mond voortdurend bevochtigen ; drinken helpt niet en zij ziet ertegen op ; de koorts begint met een koude rilling bij het naar bed gaan, en de hitte houdt aan tot ongeveer 4 uur 's morgens, met tussenpozen van rillingen ; zweet tegen de ochtend ; scheurende pijn in de slapen tijdens het hete stadium, met brandende hitte in het epigastrium ; overdag en 's nachts zeer slaperig, maar kan niet slapen, behalve een beetje tegen de ochtend.
Verlangen : naar oesters ; naar wijn en sterke drank ; naar koffie, die goed verdragen wordt (dysmenorroe).
ETEN EN DRINKEN [15]
Over het algemeen verbeterd door te eten.
Na het eten: knagende pijn in de maag >, maar keert na enkele uren terug. θ Maagkanker.
Na het eten: duizeligheid, lusteloosheid, slaperigheid; kokhalzen en gevoel van verstikking; dyspneu; drukkend gevoel, als een last in de maag; maag opgezet; oprispingen; diarree; opwellingen van hitte.
Vretende honger; > na het eten; < na zure dranken; constipatie; abdomen gevoelig voor het gewicht van de kleding; hitteopwellingen; opwellingen na het eten, na mentale of lichamelijke inspanning.
Beter door het eten van fruit.
Vloeistoffen gaan naar beneden, maar vaste stoffen, zelfs goed gekauwd, veroorzaken een gevoel van verstikking.
Klachten door wijn of tabak.
Erger door alcoholische dranken (behalve bij de slangenbeet).
HIK, OPRISPINGEN, MISSELIJKHEID EN BRAKEN [16]
Oprispingen: die verlichting geven; overgaand in braken; vóór een epileptische aanval; bij elke poging tot menstruatie.
Alles verzuurt; zuurbranden.
Altijd dorst, maar misselijkheid na het drinken. θ Jeuk.
Misselijkheid na het drinken.
Misselijkheid: gebrek aan eetlust in de voormiddag; in aanvallen, zwakte, zelfs tot syncope; dyspnoe, hartkloppingen, koud zweet; neusbloeding (tyfus); met grote speekselvloed (cholera).
(Bij zieken:) Misselijke maag, met verschrikkelijk kokhalzen, maar zonder braken; grote volheid in het hoofd, met een verward, halfbewust gevoel; flitsen voor de ogen; doof gevoel in het hoofd; denkt dat zij gaat sterven.
Braken: van gal of slijm; van voedsel; bij organische aandoeningen, met verharding van de buikorganen; van groenachtige stof; opnieuw opgewekt door de geringste beweging (cholera); van bloed en pus.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Maagkuil pijnlijk bij aanraking.
Druk op de maagkuil veroorzaakt doffe, stekende pijn.
Kriebeling in de maagkuil veroorzaakt kwellende hoest.
Opgeblazen maag, met oprispingen van grote hoeveelheden wind.
Maag opgeblazen ; geen eetlust ; constipatie.
Hevige druk in de maag na het eten, met een gevoel van zwakte in de knieën.
Stekende pijn die zich uitstrekt van de maag naar de borst.
Gevoel alsof iets aan de maag knaagde, echter zonder pijn ; gevolgd door knagend gevoel in beide zijden, zich diep in de buik onder de ribben uitstrekkend van de ene naar de andere kant.
Knagende druk > na het eten, maar terugkerend zodra de maag leeg is. θ Maagkanker.
Cardialgie ; lichaam verstijfd van de pijn, kwam langzaam op en ging langzaam over ; veroorzaakt door overmatige inspanning.
Bij elke menstruele aandrang cardialgie.
De eetlust nu eens goed, dan weer slecht, soms zo'n knagend gevoel dat hij nauwelijks op zijn maaltijd kan wachten ; na het eten duizeligheid, zwaar gevoel, matheid, kortademigheid en zwaar gevoel in de maag ; beklemd gevoel in de borst, maag vol wind, moet veel boeren, met verlichting ; oprisping van voedsel ; wanneer hij niet kan boeren, wordt hij doodziek ; hevige en hinderlijke druk op een kleine plek tussen epigastrium en navel, die hem de adem beneemt, > door boeren ; overdag verschillende aanvallen van misselijkheid met kortademigheid, zwakte bijna tot verlies van bewustzijn, hartkloppingen en koud zweet ; 's nachts, wanneer hij in bed ligt, schijnt de ademhaling al belemmerd te worden als het geringste de mond of neus aanraakt en dreigt verstikking ; slaap verstoord door dromen, vaak wakker worden ; 's morgens zwaar gevoel en neerslachtigheid ; constipatie ; bleek en vermagerd ; gezicht grijs, bleekgeel ; na zitten, pijn in de dijen en stijfheid van de knieën. θ Dyspepsie.
Dyspepsie, < zodra hij eet ; constipatie ; na kwik.
Maagkanker : knagende druk > na het eten, komt na enkele uren terug ; gevoeligheid voor aanraking, vooral van kleding, bij drankzuchtigen.
HYPOCHONDRIEËN [18]
Acute pijn in de lever, uitstralend naar de maag.
Ontsteking en chronische obstructie van de lever, gevoelig voor druk of aanraking.
Catarraal leverlijden.
Abcessen in de lever; pijn bij hoesten, alsof het verzweerd is; buitengewoon stinkende ontlasting, gevormd of niet.
Leverklachten: in de climacterische periode; na moeraskoorts; pijn alsof er iets in de rechterzijde vastzat, met steken.
Galstenen. (Na Calcarea.)
Nootmuskaatlever; verdraagt geen strakke kleding, maakt het jasje los, de armen hinderen; samentrekkende beklemming in de leverstreek.
Verdraagt geen enkele druk op de hypochondrieën.
Samentrekkend gevoel in de leverstreek.
Ulceratieve pijn ter hoogte van de lever.
Pijn alsof er ettering onder de ribben zit.
Volheid en zwaar gevoel in de leverstreek, en tegelijk pijn in het linker hypochondrium; koperachtige smaak in de mond; harde hoest in de ochtend.
Lever gezwollen en pijnlijk aan de anterieure en bovenste zijde.
Gevoel van koude over het hele lichaam; flauwteaanvallen; bleke, vaalgele kleur van het gezicht; uitdrukking van lijden; dikke, gele beslaglaag op de tong; droogheid van de mond; grote dorst; bittere smaak; misselijkheid; diarree; grote zwakte; nerveus en moedeloos; grote afkeer van spreken; climacterische periode. θ Gallige aanvallen.
Schietende pijn in de miltstreek, vooral bij inspanning door lopen; huid bruin nabij de maagstreek; bruine vlekken op de hand; constipatie.
BUIK EN LENDENEN [19]
Pijnlijke opzetting, winderigheid; verdraagt geen druk, de huidzenuwen zijn overgevoelig.
Abdomen opgezet en hard.
Moet kleding, vooral om de maagstreek, zeer los dragen, daar die onbehagen veroorzaakt; zelfs in bed genoodzaakt het nachthemd los te maken en op te trekken om druk te vermijden; durft de arm niet over het abdomen te leggen wegens de druk.
Grote gevoeligheid voor aanraking, vooral voor die van kleding. θ Maagkanker. θ Typhlitis. θ Metritis.
Gevoelig in de onderbuik, kan nauwelijks verdragen dat haar kleding haar aanraakt. θ Melancholie na de bevalling.
Opzetting van het abdomen, met gegorrel en gerommel in de darmen vóór diarree. θ Buiktyfus.
Abdomen opgezet, veel hinder van winderigheid.
Opgeblazen abdomen. θ Manie. θ Migraine. θ Epilepsie. θ Koortsen.
Gevoel van opgesloten winden.
Gevoel van leegte in het abdomen.
Pijn alsof er iets vastzat in de rechterzijde; stekend gevoel; gevoel alsof een bal van die zijde naar de maag rolde.
Onpasselijkheid in het abdomen, afwisselend met aangezichtsneuralgie.
Op een klein plekje tussen navel en epigastrium een gevoel van onaangename druk, die de adem beneemt, > door oprispingen, een uur na een maaltijd.
Drie maanden na het spenen van een kind van zes maanden was de menstruatie niet teruggekeerd; hevige zeurende pijn in de lendenen; om de twee of drie dagen acute koliekpijnen laag in de onderbuik, lijkend op weeën, op verschillende tijden van de dag optredend; sterke zeurende pijn in de uterus; wegzakkend, fladderend gevoel in het epigastrium; dunne ontlasting; grote slaperigheid, voortdurende neiging om te gaan liggen, slapen overdag < buikpijn; melk vóór het spenen zeer dun.
Scheurende pijn in het abdomen. θ Dysmenorroe.
Snijdende pijn in de rechterzijde van het abdomen, waardoor zij in flauwtes raakt; pijnlijke opzetting van het abdomen; aandrang tot urineren, maar onvermogen dit te doen behalve met lange tussenpozen.
Krampachtige pijnen in het abdomen, dat heet aanvoelt. θ Dysenterie.
Krampachtige koliek, > door voorover te buigen.
Soms pijnen alsof een mes door het abdomen werd gestoken.
Koliek: maag opgezet; opgesloten wind, oprispingen verlichten; pijnen veranderen van plaats; gevoelig voor lichte druk; met onrust en koorts.
Hevige nijpende koliek, alsof diarree op komst is.
Branden als vuur in de hypogastrische en lumbale streek.
Koude sensatie; dorst; abdomen zeer heet. θ Dysenterie.
Abdomen heet en gevoelig voor aanraking; pijnlijke stijfheid van de lendenen naar beneden tot in de dijen; schaarse, troebele urine met roodachtig bezinksel; strangurie; constipatie; moet op de rug liggen met opgetrokken knieën; vooral bij complicaties met typhlitis. θ Peritonitis.
Acute snijdende, stekende pijnen, uitstralend vanuit de navel over het bovenste deel van het abdomen, ondraaglijk bij de geringste aanraking zowel als door beweging, met tympanitische opzetting. θ Peritonitis.
Ligt op de rug met opgetrokken knieën; drukgevoeligheid, pijn en zwelling in de streek van het caecum; pijn die uitstraalt van de rechter lumbale streek via het sacrum, door de liesstreek en de voorzijde van de dij, vooral wanneer de zwelling onderzocht wordt; urine schaars, donkergekleurd; strangurie; constipatie. θ Ontsteking van het caecum.
Beklemde navelbreuk; afstervend weefsel.
Drukgevoeligheid in de linker darmbeenstreek, onverdraagzaamheid voor druk.
Ileocaecale streek zeer gevoelig voor aanraking; na hevig persen loost hij een massa croupeus exsudaat. θ Chronische darmcatarrh.
Dreigende gangreen bij beklemde hernia; de huid die de breukzwelling bedekt is gevlekt en donker; pijn dwars over het abdomen; samentrekkend gevoel in het abdomen; snijdende, verscheurende, brandende pijnen; de hernia uiterst gevoelig, laat geen aanraking toe.
Jarenlang hevige pijnen in de rechter lies, trekkend van de eierstok naar de uterus; pus komt met de ontlasting mee.
Lang bestaande hevige pijn in de rechter lies, uitstralend hetzij naar de geslachtsorganen, hetzij omhoog naar lever of borst.
Uiterste nerveuze zwakte; grote vrees voor de dood; zonder hoop op herstel; wanhoop over de speekselvloed; verlangen haar vingers, of armen, of gezicht tot bloedens toe open te pulken, of draadjes van sjaal, kleding enz. te plukken; menstruatie vertraagd, met algemene verergering van de symptomen; steeds < elke vier weken gedurende vier of vijf dagen; vezelige tumoren, ter grootte van een sinaasappel, in de linker lies.
Samentrekking van de psoasspier, waardoor de knie naar het abdomen wordt getrokken; hectische koorts. θ Bubo.
Grote harde zwelling, met fistelopeningen in de liesstreek, zich uitbreidend naar het abdomen; hectische koorts. θ Bubo.
Langdurige, suppurerende bubonen van mercurio-syfilitische oorsprong.
ONTLASTING EN RECTUM [20]
Kwellende aandrang, maar zonder ontlasting.
Wil ontlasting lozen, maar de pijn wordt daardoor zo verergerd dat hij moet ophouden.
Foetide winden.
Zeer stinkende ontlasting, gevormd of niet.
Gevoel alsof de feces opstegen tot in de borst. θ Kraamvrouwenkoorts.
Ontlasting : foetide ; lijkachtig riekend ; frequent ; bijtend ; purulent ; dun ; brijig ; bloederig, waterig ; waterig, lichtgeel, fecaal ; donker, chocoladekleurig ; van ontbonden bloed, eruitziend als verkoold stro ; gemengd bloed en slijm ; < 's nachts, na zure dingen ; bij warm weer ; dun, stinkend ; dunne, glibberige klonters ; onwillekeurig.
Plotselinge diarree, met hevige aandrang, omstreeks middernacht, dun, brijig, buitengewoon stinkend, ammoniakachtig.
Diarree elke avond gedurende een week, voorafgegaan door voorbijgaande pijn in het rectum, gevolgd door kloppen als van kleine hamertjes, in de anus.
Waterige ontlasting, met branden in de anus, 's avonds.
Pijnloze, bruingele diarree, riekend naar aas ; vloeistof vermengd met kleine fecesdeeltjes, als gierstkorrels ; diarree opgewekt door de geringste hoeveelheid voedsel ; had achttien tot twintig ontlastingen gedurende de nacht ; tong rood en droog ; verlangt naar drinken, maar is bang voor de verergering van de diarree die het veroorzaakt ; slaap onrustig en vol dromen ; handen verschrompeld en koud ; lichte trekkingen van de handen ; neerslachtig ; spraak gestoord (sermo abdominalis) ; sterke vermagering en uitputting, kan zonder hulp niet overeind in bed zitten.
Sterke neiging tot zure dingen ; lozingen zwart en schuimig ; soms 's morgens galbraken.
Chronische diarree, met knagende pijn en druk in de maagkuil. θ Syfilis.
Diarree : van gemengd bloed en slijm bij warm weer, < door zure vruchten ; < 's nachts en na de slaap ; met schuimige urine ; enkele dagen voor of na de menstruatie, met koliek ; tijdens het climacterium ; bij drinkers, met matheid en uitputting, zeer hevig bij heet weer en met grote hemorroïdale gezwellen, die na elke papperige, stinkende ontlasting naar buiten komen, met vernauwing van de sfincter en aanhoudende aandrang tot ontlasting.
Ontlasting en urine onwillekeurig. θ Koortsen.
Bloeding uit de darmen ; ontbonden bloed. θ Tyfus.
Vlokken van ontbonden bloed, met vorm en uiterlijk van volkomen verkoold tarwestro, in langere of kortere platte stukken, delen meer of minder fijngemalen.
De lozingen hebben een doordringende, foetide geur en nemen een purulent karakter aan ; grote hitte van het abdomen. θ Zomerdiarree.
Lozingen chocoladekleurig, met lijklucht ; tijdens de ontlasting branden in de anus ; krampachtige pijn in het abdomen ; koude ; dorst ; abdomen zeer heet ; tong rood en aan de punt gebarsten, of zwart en bloederig. θ Dysenterie.
Kon de tong niet uitsteken, die aan de tanden bleef haken ; tijdens een dutje onrust, dyspneu, benauwdheid en daarna stinkende ontlasting. θ Dysenterie.
Dysenterie ; rillingen zonder koude.
Braken opnieuw opgewekt door de geringste beweging, en misselijkheid gepaard gaand met sterke speekselvloed. θ Cholera.
Pijnlijk persen, met afscheiding van croupeus exsudaat.
Drukkende pijnen in de navelstreek ; hevige darmkrampen, met samengetrokken abdomen, of abdomen hard en tympanitisch ; foetide ontlasting. θ Enteritis.
Chronische darmcatarrh.
Zachte ontlasting van heldergele kleur.
Afwisselend diarree en constipatie.
Hardlijvigheid, met vergeefse aandrang ; anus voelt gesloten aan ; ontlasting stinkend.
Langdurige constipatie met druk in de maag en onbevredigende oprispingen.
Ontlasting : schaars, grijsachtig, als pottenbakkersklei ; hard als schapenkeutels ; hard en moeilijk ; frequent en hard ; hard, schaars en onvoldoende.
Constipatie met zwarte tong en lippen. θ Scarlatina.
Constipatie zonder andere symptomen.
Gevoel van ongelukkigheid bij het ontwaken ; gevoel van vernauwing van de anus. θ Constipatie.
Uitblijven van ontlasting bij personen die aan hydrothorax lijden.
Zwaarte, volheid en druk in de darmen, met veel winderigheid. θ Chronische constipatie.
Constipatie, met vergeefse poging tot ontlasting.
Hardlijvigheid, met zeer harde ontlasting, tussen de menstruaties ; twintig dagen geen ontlasting. θ Angina syphilitica.
Ontlasting in stukjes, frequent, geel, oranje, soms met een zweem van bloed. θ Gastrische zenuwkoorts.
Langdurige hardlijvigheid, met druk in de maag en vergeefse oprispingen.
Chronische constipatie bij een jonge dame, reeds tien jaar bestaand, was dagelijks genoodzaakt warme klysma's te gebruiken ; zwaarte, volheid en druk in de darmen, gepaard gaand met nogal veel winderigheid.
Fecale obstructies ; intussusceptie met dreigende afstoting van weefsel.
Geen ontlasting noch urine. θ Metritis. θ Kraamvrouwenkoorts.
Voor de ontlasting : gerommel ; vergeefse aandrang ; voortdurende en zeer pijnlijke druk in het rectum, zonder ontlasting ; vernauwing in het rectum of gevoel van een prop in de anus.
Tijdens de ontlasting : krampachtige pijn in het abdomen ; branden in de anus ; tenesmus ; pijn alsof de sfincter door het persen werd gescheurd ; scheurende pijnen in het rectum van beneden naar boven en naar achteren, zo erg dat zij oprispingen veroorzaken ; feces blijven aan de anus zitten ; verergering van de pijn, zodat alle pogingen moeten worden gestaakt.
Na de ontlasting : branden aan de anus ; tenesmus ; naar buiten komen van grote hemorroïdale gezwellen, met vernauwing van de anus en aanhoudende aandrang tot ontlasting.
Kind wordt steeds in benauwdheid wakker. θ Diarree.
Ontlasting ligt in het rectum, zonder aandrang.
Vol gevoel in het rectum, en een gevoel alsof kleine hamertjes kloppen. θ Fistula in ano. θ Climacterium.
Rectum verzakt en gezwollen.
Brandende, snijdende pijnen in het rectum, < bij staan van de ochtend tot de namiddag.
Voortdurende en pijnlijke druk in het rectum, zonder ontlasting.
Kloppend gevoel in het rectum ; bonzen. θ Strictuur van het rectum.
Steek in het rectum of in de aambeien bij hoesten of niezen.
Ongelijke of knobbelige en verharde massa, die de anus omgeeft en eruit naar buiten puilt, in het midden van deze massa bevond zich een onregelmatige, rafelige en geulcereerde fissuur (de uitgang van het rectum), waaruit een sanieus-slijmerige afscheiding vloeide ; ontlasting bijna onmogelijk wegens obstructie en pijn ; zachte en meegevende gezwellen (hemorroïdaal) die het rectum bijna vulden, zover de tast reikte ; voortdurend bonzen met jeuk, schietende en brandende pijn in de aangedane streek ; alle symptomen < na de slaap ; was gediagnosticeerd als scirrhus van anus en rectum. θ Aandoening van anus en rectum.
Aambeien sinds vier jaar, voor het eerst ontstaan in de eerste maand van de zwangerschap ; slijmafscheiding, de passage excorierend ; schrijnende, brandende pijn na elke ontlasting ; zeer prikkelbaar zenuwstelsel ; verlangen naar zure inmaak ; scherp waterbranden.
Aambeien die naar buiten komen of bekneld raken, of met steken omhoog bij elke hoest of nies. θ Climacterium. θ Drinkers.
Hete, bloedende hemorroïdale gezwellen.
Aambeien : bij schaarse menstruatie ; in climacterische jaren.
Trekkende pijnen van de anus naar de navel.
Krampachtige pijnen inwendig in de anus, korte tijd voor en na de ontlasting.
Zichtbare krampachtige tenesmus in aanvallen, van twee tot vijf minuten, ontlokt kreten, met afgang van bloed en slijm.
Jeuk aan de anus, < na de slaap.
Anus voelt gesloten aan ; gevoel van een prop.
Pijnlijke
vernauwing van de anus, na prolaps van het rectum.
Fistuleus abces opende zich nabij de anus. θ Scarlatina.
URINEWEGEN [21]
Stekende pijnen in de nieren, zich naar beneden uitstrekkend en blijkbaar door de urineleiders heen. θ Cystitis.
Druk op de blaas; doffe pijn.
Gevoel alsof er een bal in de blaas of het abdomen rondrolt, bij het omdraaien. θ Verplaatsing van de baarmoeder. θ Cystitis.
Afscheiding van stinkend slijm tijdens de mictie. θ Blaaskatarrh.
Vergeefse aandrang om te urineren; branden wanneer de urine wel komt.
Dringende aandrang om te urineren, met lozing van veel urine.
Frequente mictie, schaarse urine, donkerbruin, troebel.
Heftig branden bij het lozen van urine. θ Angina syphilitica.
Pijnlijk persen en branden bij het wateren.
Nadruppelen na het urineren.
Voortdurend steken en snijden in het voorste deel van de urethra.
Urine met sterke ammoniakgeur, onwillekeurig; bij het op de rug liggen. θ Maag-zenuwkoorts.
Donkergekleurde urine met sterke geur. θ Difterie. θ Scarlatina.
Urine donker, met een bruin, gruisachtig bezinksel, geloosd met een stekende, snijdende pijn.
Urine: bijna zwart; frequent, schuimend, donker.
Urine als koffiedik. θ Scarlatina.
Urine donker of schaars, zoals bij tyfus. θ Difterie.
Zwarte, schaarse urine, met oedeem, na scarlatina.
Urine rood en heet. θ Angina faucium.
Schaarse urine met rood bezinksel. θ Typhlitis.
Urine zwaar beladen met albumine.
Albuminurie met hydrothorax en waterzuchtige zwelling van de linkerzijde en het linkerbeen.
Strangurie. θ Typhlitis.
Geen urine, geen ontlasting.
Urine bijna onderdrukt. θ Scarlatina.
MANNELIJKE GESLACHTSORGANEN [22]
Grote opwinding van de geslachtsdrift.
Epilepsie na ontuchtige uitspattingen, of ziekelijke prikkeling van de geslachtsorganen, onanie, frequente zaadlozingen of jaloezie.
Impotentie.
Nachtelijke zaadlozingen, met een rilling van genot.
Overmatig geslachtsverlangen, voortdurende erecties 's nachts ; zaadlozingen, met overvloedig nachtzweten ; opgeruimde stemming en gevoel van gemak bij het ontwaken, gevolgd door vermeerderde mentale concentratie ; het sperma heeft een doordringende geur.
Beurse pijn in de urinebuis, in het voorste deel van de penis.
Verharde voorhuid, na chancres.
Mercuriële syfilitische zweren op de penis.
Scrotum tot enorme grootte gezwollen. θ Druppelzucht na scarlatina.
Sycotische zweren, met blauwachtige areola.
Parafimose wanneer de insnoering gangreen veroorzaakt, of bedreigde gangreen, eruptie op de eikel en de venusheuvel.
Gangreen van de eikel.
Phagedenische chancres.
Bubonen : met keelpijn en hoofdpijn ; verhard of met fistuleuze openingen en hectiek ; na kwik ; lange tijd suppurerend.
VROUWELIJKE GESLACHTSORGANEN [23]
Seksueel verlangen tot het hoogste opgewekt ; volkomen onverzadigbaar ; wellustige krampachtige sidderingen gaan door heel haar heen.
Kriebeling en schoktrekkingen die zich uitstrekken van dijen naar geslachtsorganen. θ Nymfomanie.
Ovariale neuralgie, vooral links ; spannende, drukkende, brandende of stekende pijnen.
Vaak optredende, hinderlijke, trekkende pijn in de rechter eierstokstreek, van nabij het heupbeen omlaag naar het os pubis, soms brandend. θ Zwelling van de rechter eierstok.
Pijn in de rechter eierstokstreek die steeds meer toeneemt totdat zij verlicht wordt door een bloedafgang. θ Overgang.
Verschrikkelijke pijn in de rechter eierstokstreek, met zwelling.
Verharding en ettering van de eierstokken.
Rechter eierstok ter grootte van een vuist ; 1 1/2 duim dik, pijnlijk bij druk, met de baarmoeder verbonden door een streng zo dik als een vinger.
Scherpe, schietende pijn in de linker eierstok ; constipatie ; klachten < 's morgens en na de slaap. θ Ovariitis.
Spannende, drukkende pijnen en steken ; onvermogen om op de r. zijde te liggen wegens het gevoel alsof iets naar die zijde rolde ; zwelling van de eierstok ; ettering ; l. zijde. θ Ovariitis.
Pijnlijke, langwerpige zwelling en verharding in de rechter eierstokstreek, < door gemoedsbewegingen, snelle bewegingen, aanhoudend lopen en overmatige inspanning. θ Baarmoederverplaatsing.
Ovariumtumoren ; eerst de linker eierstok aangedaan, neigend naar rechts.
Zwelling, verharding, tumoren, neuralgie, ettering, enz., van de linker eierstok.
Menstruaties onregelmatig, donker, vuil uitziend en stinkend ; ziet eruit als een zwangere vrouw in de negende maand ; abdomen hard, sommige delen harder dan andere ; in de linker eierstokstreek en direct onder de navel, zich uitstrekkend tot aan de maag, zeer hard, alsof vezelig, alle andere gedeelten gespannen en in meerdere of mindere mate pijnlijk ; soms dyspneu en piepende ademhaling bijna tot verstikking naderend ; tong rood en gelakt ; appetijt wisselvallig ; grote dorst ; schaarse, hooggekleurde urine, met hematine en tien procent albumine ; constipatie, met af en toe ontlasting ter grootte van paardemest, pijn en zwakte veroorzakend waarvan zij een halve dag of langer niet herstelde ; voortdurende malaise. θ Sacculaire ovariumaandoening.
Baarmoeder- en ovariumtumoren, met overvloedige en aanhoudende menstruaties ; grote gevoeligheid van de onderbuik ; ernstige, zeurende pijn, anterieur in de dijen, in de takken van de nervus cruralis anterior.
De baarmoederstreek voelt gezwollen aan, verdraagt geen aanraking, zelfs die van kleding niet ; neerdrukkende pijnen.
Pijnen alsof een mes in het abdomen gestoken werd.
De baarmoeder voelt alsof de baarmoedermond open stond.
(Bij de zieke :) Geslachtsdelen sterk uitgezet, gezwollen en rood, alles leek naar buiten gerold en de baarmoedermond open ; nymfomanie.
Barenswee-achtige pijnen alsof alles uit de vulva naar buiten zou komen, gevolgd door een geringe bloedafgang.
Menstruele koliek die in de linker eierstok begint.
Gevoel alsof pijnen uit baarmoeder en abdomen opstegen naar de borst.
Pijn in de baarmoederstreek alsof gezwollen ; verplaatsing.
Hevig, weeachtig drukken vanuit de lendenen naar beneden tijdens de menstruatie, die schaars is. θ Verplaatsing.
Pijnen in de baarmoederstreek nemen soms steeds meer toe tot zij verlicht worden door een bloedvloeiing uit de vagina ; na enkele uren of dagen weer hetzelfde, enzovoort.
De baarmoeder verdraagt geen aanraking en moet van alle druk ontlast worden ; tilt vaak de kleren op, die veroorzaken onrust in het abdomen, geen drukgevoeligheid.
Baarmoeder vergroot, geretroverteerd, warm en gevoelig voor aanraking ; baarmoedermond open en gevoelig ; menstruaties onregelmatig ; de fundus werd posterieur groter bevonden.
Chronische metritis : met hypertrofie ; menstruatie te schaars en moeilijk : gevoeligheid in de bekkenstreek. (Aangevuld door Nitr. ac.)
Congestie van de baarmoeder met prolapsus.
Verplaatsing in samenhang met of als gevolg van de overgang.
Prolapsus tijdens de overgang, met hitteopwellingen, hete kruin ; metrorragie en flauwvallen ; pijn in de linker hypogastrische en ovariale streek.
Chronische baarmoederkatarrh, het linnen bevlekkend en stijf makend, gepaard gaand met ernstige pijn in de lendenstreek. θ Steriliteit.
Baarmoederkanker, zich ontwikkelend in de overgang, of als gevolg van de overgang ; pijnen nemen snel toe totdat zij verlicht worden door overvloedige bloedafgang ; hevige pijnen alsof een mes door het abdomen werd gestoken, dat van alle druk ontlast moet worden.
Baarmoederbloedingen van de menopauze.
Menstruatie : onderdrukt op de gewone tijd, maar te kort en te zwak ; schaars, met weeachtige druk vanuit de lendenen naar beneden ; onregelmatig ; schaars, bloed zwart ; laat, schaars en moeilijk ; om de twee of drie maanden, dan overvloedig ; terugkerend tijdens de overgang ; bloed klonterig, zwart of bijtend.
Taaie en bijtende menstruele vloeiing, met barenswee-achtige pijnen. θ Baarmoederkanker.
Menorragie met koude rillingen 's nachts, hitteopwellingen overdag.
Amenorroe : hoe geringer de vloeiing, des te groter de pijn ; met duizeligheid, hoofdpijn en neusbloeding ; met pijn in maag, borst en oprispingen bij iedere menstruatieperiode ; zwelling in de streek van de linker eierstok.
Aanhoudende congesties in de menopauze.
Neusbloeding en cardialgie in plaats van menstruatie.
Afknelling van geprolabeerde vagina, delen diep purper.
Erectiele tumoren ; vicariërende bloeding ; pijn < totdat > door bloedvloeiing ; keert de bloeding terug ; dan keert de pijn terug.
Vaginale fistel ; gangreen.
Voor de menstruatie : verlangen naar open lucht ; duizeligheid ; neusbloeding ; barenswee-achtige pijnen, < in de linker eierstokstreek ; beurs gevoel in de heupen ; > wanneer de vloeiing begint ; plotselinge aanvallen van cardialgie ; benauwdheid of spasmen van de borst ; oprispingen ; diarree, met hevig persen ; koliek, met gevoel van malaise ; zenuwachtige ontreddering ; slijmerig sediment in de urine ; leucorroe drie dagen tevoren, afscheiding overvloedig, schrijnend en slijmerig, maakt het linnen stijf en laat een groenachtige vlek achter ; rugpijn, met abdominale krampen en bonzende hoofdpijn.
De dag voor de menstruatie onweerstaanbaar verlangen om de open lucht in te gaan en rond te rennen. θ Dysmenorroe.
Menstruele koliek op de eerste dag van de menstruatie.
Barenswee-achtige pijnen met de menstruatie.
Tijdens de menstruatie bonzen in het hoofd en branden op de kruin ; barenswee-achtige pijnen alsof alles eruit werd geperst, gevolgd door een geringe bloedshow ; de baarmoeder voelt alsof de baarmoedermond open stond ; hevige pijnen op de eerste dag in de onderrug en het abdomen ; scheurende pijn in het abdomen ; beurs gevoel in de heupen ; > naarmate de vloeiing vrijer wordt ; hevige krampen in de ingewanden alsof erin gesneden werd met messen ; drukkende pijnen van de lendenen naar de geslachtsdelen ; baarmoederpijnen die omhoog trekken ; koliek beginnend in de linker eierstok ; tandpijn < naarmate de vloeiing afneemt ; flauwvallen bij nerveuze vrouwen ; cardialgie, benauwdheid van de borst en oprispingen ; ovariale pijn ; afgang van bloed of slijm uit de anus ; epilepsie <.
Jaloerse aard ; verlangt naar koffie en voelt zich > na het drinken ervan ; zweren op de benen met een paarsachtige rand. θ Dysmenorroe.
Met de menstruatie een bonzen in het rectum en hevige pijnen ; zeer geplaagd door winderigheid ; er gaat slijm af, soms bloed alsof uit een zweer ; druk ; gevoel alsof daar een strictuur zat.
De menstruatie vloeit elke dag slechts een uur ; wanneer zij ophoudt, volgen hevige pijnen in de streek van de linker eierstok, afwisselend met kokhalzen en braakneiging. θ Dysmenorroe.
Dysmenorroe van achttien jaar bestaan.
Na de menstruatie : diarree ; gewone, bijtende leucorroe ; hartkloppingen, met pijn alsof het hart aan een draad hing en elke slag het zou afscheuren.
Leucorroe : van drie tot acht dagen voor de menstruatie ; groen of dik geel ; overvloedig, schrijnend, melkachtig, maakt het linnen stijf en bevlekt het groenachtig.
Roodheid en zwelling van de delen, met slijmerige afscheiding.
Fungus hematodes op de rechter mamma zo groot als een pioenroos ; er stroomde overal bloed uit als uit een spons.
Sedert de laatste vier jaren stekende en snijdende pijnen in de linkerborst, meer of minder hevig, maar altijd < voor, tijdens en na de menstruatie ; aanvankelijk was de pijn beperkt tot het aangedane deel, maar uiteindelijk strekte zij zich uit naar de linkeroksel en vandaar langs de arm tot in de hand ; eigenaardig pijnlijk gevoel van zwakte en lamheid in linkerschouder en -arm, < bij gebruik van de arm ; af en toe worden de l. mamma en arm zo pijnlijk dat gebruik van laatstgenoemde onmogelijk wordt en zij gedwongen is te gaan liggen ; bij onderzoek geen zichtbare zwelling, maar bij druk met de vinger kan een drielobbige tumor worden vastgesteld, elke kwab ongeveer zo groot als een duivenei, gelegen ongeveer twee duim boven en enigszins links van de tepel ; tumor beweeglijk en drukpijnlijk ; onderzoek veroorzaakt pijn die uitstraalt naar de schouder en langs de arm naar beneden, 5-6 uur aanhoudend ; schouder en arm gevoelig voor druk, waarbij de pijn terug de mamma in uitstraalt ; bleek en vermagerd ; menstruaties regelmatig, 3-4 dagen aanhoudend, met veel pijn op de eerste dag en de dag ervoor ; chronische fluor albus.
De borst heeft een blauwachtig of paarsachtig voorkomen ; koude rillingen 's nachts en hitteopwellingen overdag.
Kanker met een blauwachtige of donkere basis, afgewisseld met zwarte strepen van gestold of ontbonden bloed.
Borstkanker, met lancinerende pijnen.
Scharlakenrode, glanzende, herpetische eruptie onder de mamma, < door krabben ; geur aanstootgevend.
Bij de menopauze ; opwellingen, hete kruin ; metrorragie ; flauwvallen ; baarmoederverplaatsing ; kanker ; capillaire circulatie aangedaan.
Geschikt aan het begin en aan het einde van de menstruatie.
Zwangerschap. Bevalling. Lactatie [24]
Aanhoudend braken tijdens de zwangerschap, optredend laat in de namiddag en 's avonds.
Convulsies begonnen aan de linkerzijde, in het gezicht, hielden langer aan en waren heviger ter hoogte van nek en keel dan elders; vijfenzestig afzonderlijke convulsies. θ Puerperale convulsies.
Hevige convulsies in de onderste ledematen, met koude voeten, achteroverstrekken van het lichaam en gillen; puerperaal.
Na een zonnesteek, twee jaar vóór de bevalling, sindsdien voortdurend bedlegerig; twee uur na de bevalling convulsies; na twaalf uur comateus, grote hitte in de occipitale en cervicale streken; droge mond; polsloos.
Gezicht opgezet; mond gevuld met schuim en bloed; kaken krampachtig op elkaar geklemd, tong afschuwelijk verscheurd; pols vol en hard; ademhaling onregelmatig; volledige coma, onderbroken door vreselijke convulsies; plotseling en krachtig uitsteken van de tong. θ Puerperale convulsies.
Gezicht livide, blauwachtig; abdomen gezwollen; urine- en fecale ontledigingen onderdrukt; lochiale afscheiding dun en foetide; dagelijks bewusteloosheid met hevige kouderillingen. θ Puerperale peritonitis.
Lochiale afscheiding dun, ichoreus; tympanitis. θ Metritis.
Phlegmasia alba dolens.
Pijn in de eierstokken na de bevalling.
Pijnlijke mond bij zogende vrouwen, randen van de tong rood en gebarsten, met branderige en zeurende pijnen.
Lancinerende pijn in de mamma; pijn uitstralend langs de arm; borst blauwachtig, met zwartachtige strepen. θ Mastitis.
De borst heeft een blauwachtige of paarsachtige aanblik; 's nachts kouderillingen en overdag hitteopwellingen.
Dunne, blauwe melk vloeit onwillekeurig af; het kind wil niet zuigen; nadat het kind een tijdje heeft gezogen, wordt de melk weer natuurlijk van kleur.
Melk dun, blauw; zij ontwaakt droevig, wanhopig.
Mamma gezwollen; tepels gezwollen, opgericht; pijnlijk bij aanraking.
Uiterste gevoeligheid van de tepels.
STEM EN STROTTENHOOFD. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Stemverlies veroorzaakt door verlamming of oedeem van de stembanden.
Verlamming van de stembanden, vooral de linker.
Een week lang niet in staat een luid woord uit te brengen; een plek aan de anterieure zijde van de hals drukgevoelig bij aanraken. θ Menstruatiestoornissen.
Afonie bij longtering; sputum taai en groen.
Iets belemmert het spreken; hees; schraapt voortdurend de keel.
Heesheid en hoest; hartslag versneld door snelle beweging of na het drinken van bier.
Heesheid; ruwe, droge hoest, veroorzaakt door kriebeling in strottenhoofd en luchtpijp. θ Hartziekte.
Toegenomen heesheid tijdens het spreken; de stem komt niet, omdat iets in het strottenhoofd dit verhindert, en het laat zich niet los schrapen, hoewel er wel slijm wordt opgegeven.
Heesheid, rauwheid, droogheid; strottenhoofd gevoelig bij aanraken.
Gevoel alsof er een vel in het strottenhoofd zit.
Gevoel alsof klauwen zich in het strottenhoofd vastzetten, < door hoesten.
Strottenhoofd gevoelig voor de minste aanraking, die verstikking veroorzaakt; gevoel van een brok in de keel.
Strottenhoofd en gehele keel pijnlijk bij aanraken.
Grote gevoeligheid van het strottenhoofd; heesheid; een dikke brok wordt in de keel gevoeld, alsof zich slijm heeft opgehoopt. θ Chronische bronchitis.
Gevoel van een klein brokje in de keelgroeve, als een knoop; het voelt alsof het los zou kunnen raken, maar dat doet het niet.
Strottenhoofd en keel pijnlijk bij het achteroverbuigen van het hoofd.
Pijn in de keelgroeve, uitstralend naar de tongwortel en het tongbeen en naar de linker tragus, waarachter de pijn uitschiet; pijnlijk bij aanraken.
Gevoel alsof iets in de keelgroeve gezwollen is en hem zou verstikken; het kan niet worden doorgeslikt; keelpijn.
Beklemming, droogheid, steken en grote rauwheid van de keel, vooral van keelholte en strottenhoofd, met kouderillingen en hevige rillingen. θ Epidemische faryngitis.
Strottenhoofd gezwollen, pijnlijk, rauw, schrapend, enigszins ook bij druk erop; tegelijk genoodzaakt te slikken.
Catarrh, met weinig afscheiding en veel gevoeligheid; droge hoest, voortkomend uit een kriebelend gevoel in het strottenhoofd, uitgelokt door diep inademen, spreken en druk; gevoel van volheid in de luchtpijp en pijnlijk zeurende pijn in het tongbeen. θ Laryngitis.
Chronische aandoeningen van het strottenhoofd, waarbij de delen, zonder werkelijk ontstoken te zijn, zeer gevoelig zijn; heesheid; gevoel alsof zich een grote massa slijm in de keel heeft opgehoopt.
Dreigende kroep bij difterie; ontwaakt verstikkend, grijpt naar de keel; vreest dat hij sterft.
Kroep < na slaap; lijkt in de slaap in een kroepaanval te raken.
Kind lijkt alsof het tijdens de slaap zal stikken; ademt > na het ontwaken. θ Kroep.
Uit de slaap gewekt, ogenschijnlijk in stervende toestand. θ Membraneuze kroep.
Kroep bij kinderen die vatbaar zijn voor inflammatoir reuma.
Kind schrikt wakker met een aanval van verstikking, verliest bijna de adem en krijgt soms stuipen. θ Kroep.
Membraneuze kroep, laatste stadium; membraan in stukken als een vinger van een handschoen opgehoest; zeer erge keelpijn.
Membraneuze kroep met difterische keelpijn, of kwaadaardige roodvonk; adem zeer foetide; halsklieren gezwollen; hals gevoelig bij aanraken.
Plotseling loopt er iets van de hals naar het strottenhoofd, waardoor de ademhaling stopt; het wekt hem 's nachts. θ Spasmus glottidis.
Beklemming van het strottenhoofd, gepaard met droogheid van de gehele keel en mond, steeds na het slapen.
Nachtelijke aanvallen van glottisspasme na de eerste slaap; verstikking en livide gelaatskleur; overdag gevoel van een vreemd lichaam in de keel, met slikmoeilijkheden.
Aanvallen keren terug telkens als het kind in diepe slaap raakt. θ Laryngismus stridulus.
(In slaap :) Vreselijk naar adem happen of naar het strottenhoofd grijpen, 's nachts tijdens een aanval bijna gestikt; zij dacht dat zij stierf doordat zij niet kon ademen; van de ene zijde op de andere in bed rollend.
Gevoel alsof er iets in de luchtpijp zit dat opgehoest zou kunnen worden; het komt gedeeltelijk omhoog en zakt dan weer terug.
Na een aanval van influenza droge, kwellende, schokkende hoest; < na slaap. θ Bronchiale catarrh.
Slijmvlies van de neus verdikt; veel niezen; droog, verstopt gevoel door de gehele voorzijde van het hoofd; geleidelijk overgaand naar de fauces en de borst; aanhoudende droge, korte hoest, nacht en dag, bij zitten, liggen of lopen; piepende ademhaling; gelaat rood en opgezet; ogen lijken bijna uit hun kassen gedrukt. θ Bronchiale catarrh.
Hoest opgewekt door zelfs lichte druk op het strottenhoofd, of zodra hij in slaap valt, vaak met verstikking, alsof verstikking onvermijdelijk was; na een lange, droge en piepende hoestaanval komt plotseling een overvloedige opgave van schuimig, taai slijm, wat grote verlichting geeft. θ Chronische bronchitis.
Aanhoudende koorts, < 's nachts; pols 150; ademhalingen 70 per minuut; rode vlek op een wang, vaak van zijde wisselend; linkerlong voor lucht ondoorgankelijk; aanhoudende hoest, < 's nachts; later rechterlong aangedaan; onwel en onrustig; werpt zich in alle houdingen om adem te halen; gelaat donker; aanhoudende krampachtige hoest met moeizame ademhaling; bij enkele ogenblikken inslapen werd de keel zo droog dat een toestand als kroep optrad, en al het lijden verergerde. θ Bronchiale catarrh.
Kan alleen in rechtopzittende houding ademen, en dan nog met grote moeite; verdikking van het slijmvlies schijnt de long geheel op te vullen; aanhoudende hoest door prikkeling achter het borstbeen, schijnbaar bij de splitsing van de luchtpijp; geen opgave, toch lijkt de borst bij het hoesten vol vocht. θ Bronchiale catarrh.
Droge hoest, piepende reuteltoon en afonie; uitwendige keel gevoelig bij aanraken; gevoeligheid, drukgevoeligheid, gevoel van zwaarte in de linker ovariumstreek; < na slaap; bleke, schaarse menstruatie, met verlies van geslachtsdrift. θ Bronchitis.
Bronchiale aanvallen bij personen met cyanose en hartziekte.
ADEMHALING [26]
Voortdurend genoodzaakt diep adem te halen.
Wanhopige verstikkingsaanvallen, moet rechtop in bed gaan zitten ; snijdende pijn in de buik.
Genoodzaakt rechtop te zitten en de rechterzijde tegen een met kussens voorziene schommelstoel te leunen, opdat de pijn in de linkerborst met dyspnoe 's nachts > zou zijn ; kleine frequente pols ; verminderde kracht van de hartwerking ; verdroeg niet dat hals- en taillebanden vastgemaakt waren.
Ademhalingsmoeilijkheden > bij voorovergebogen zitten ; < bij spreken en na het eten.
Beklemming en ademnood : < bij lopen en na sterke drank ; hartaandoening ; bij elke inspanning tijdens de menstruatie.
Kortademigheid en verstikkingsaanvallen, veroorzaakt door aanraking van het strottenhoofd en < bij het bewegen van de armen.
Het geringste dat in de buurt van mond of neus komt, belemmert de ademhaling ; 's nachts in bed veroorzaakt de geringste bedekking over mond of neus verstikkende dyspnoe.
's Morgens bij snel rechtop gaan zitten, ademhaling traag, moeilijk, piepend. θ Astma.
Beklemming van de borst tijdens de slaap.
Legt de hand op het bovenste derde van het borstbeen en verklaart dat zij haar adem niet daaronder kan krijgen.
Borst als het ware verstopt ; kan niet liggen door een gevoel van verstikking en moet deuren en ramen openen om lucht te krijgen ; een verstikkende korte hoest, met schaarse en moeilijke expectoratie ; het hoofd moet altijd hoog liggen, en gewoonlijk laat zij het op haar hand rusten.
Ernstige dyspnoe, < in de namiddag en na de slaap ; linkerzijde ; sterk riekende ontlasting, zelfs wanneer gevormd. θ Pneumonie.
De borst voelt samengesnoerd.
Plotseling gaat er iets van de nek naar het strottenhoofd en onderbreekt de ademhaling volledig ; daardoor wordt men 's nachts wakker. θ Spasmus glottidis.
Kan niet slapen, zodra hij in slaap valt wordt de ademhaling onmiddellijk onderbroken. θ Acuut reuma.
Verstikkingsaanvallen, uit de slaap ontwakend met het in het rond slaan van de armen ; cyanotische verschijnselen ; zwelling van de lever ; zwarte urine. θ Hydrothorax.
Wordt midden in de nacht wakker met vrees voor verstikking.
Tijdens hitte als van bloedopwelling is hij genoodzaakt de kleding om de hals los te maken ; gevoel alsof die de bloedsomloop belemmerde, met een soort verstikkingsgevoel.
Astma : < door het bedekken van mond of neus, aanraken van de keel, bewegen van de armen, bij het ontwaken, na eten of spreken ; > bij voorovergebogen zitten.
Stekende pijn door de longen heen, grote dyspnoe ; < rechtop zittend of liggend, > bij vooroverbuigen en het hoofd achteroverwerpen ; gevoel van hevige insnoering in alle delen van de borst, alsof de longen omhoog in de keel werden gedrukt, waardoor uiterste doodsangst ontstond, zodat zij aan het leven wanhoopte ; gevoel alsof er een koord strak om de hals was gebonden ; moet de kleding aan hals en epigastrium losmaken ; soms het gevoel alsof het hart omdraaide en een ogenblik ophield te kloppen, dan opnieuw begon met vermeerderde kracht ; de longen schijnen vol slijm te zitten, toch kan er niets worden opgegeven ; gezicht tijdens de paroxysmen bijna paars.
Longoedeem ; emfyseem.
Dreigende verlamming van de longen, de grootste moeite met ademhalen met langdurige aanvallen van verstikking.
Hooiastma.
De jeuk verdwijnt, zij is zeer kortademig en vol angst. θ Schurft.
HOEST [27]
Constante droge prikkelhoest. θ Ovaritis.
Droge, prikkelhoest, veroorzaakt door aanraken van de keel of 's morgens na de slaap.
Elk contact met open lucht veroorzaakt een hevige kriebelhoest, gepaard gaand met ophoesten van slijm.
Fladderende, nerveuze, lichte hoest, blijkbaar opgewekt door een kieteling in het strottenhoofd.
Hoest veroorzaakt door druk op het strottenhoofd of door enige bedekking op de keel ; door een kieteling in de keelholte en achter het borstbeen ; bij het inslapen ; door zweren in de keel.
Hoest, met rauwheid van de borst, moeilijke expectoratie en pijn in keel, hoofd en strottenhoofd.
Voortdurende kieteling in de keel die hoest opwekt ; aanhoudend keelschrapen tot loos kokhalzen, zonder misselijkheid ; zelden enige expectoratie, maar wanneer die er is, wordt die met uiterste moeite en met gevaar voor verstikking opgegeven.
Kruipen in zweren, irritatie tot hoesten. θ Angina syphilitica.
Korte, kokhalsverwekkende, zeer vermoeiende hoest door kieteling in de keelholte, krijgt niets los.
Frequente aanvallen van korte hoest door kieteling in de maagkuil, 's nachts droog ; moeilijke, soms waterachtige, zoute slijmopgave, die weer moet worden doorgeslikt.
Hoest : < overdag ; na slapen ; bij temperatuurveranderingen ; alcoholische dranken ; zuren en zure dranken.
Korte, oppervlakkige, kriebelhoest, zeer uitputtend, soms braken veroorzakend ; moeilijke expectoratie van dun, taai slijm, of dikke, ronde klonten ; hoest vaak, schraapt de keel, spuugt, zonder iets op te brengen ; hoest alleen overdag ; hoest in de open lucht en na spreken, wat alles droog schijnt te maken ; bij vochtig weer en na het eten van vis ; de hoest schijnt in het epigastrium te ontstaan, waar zij een kietelend gevoel en hevige pijn veroorzaakt.
(Bij zieken :) Oppervlakkige, nerveuze hoest door kieteling in het strottenhoofd, om 9 uur 's avonds tot het naar bed gaan.
Hoest na het overeind komen uit een liggende houding.
Hoest tijdens de slaap, zonder zich daarvan bewust te zijn.
Bronchiale hoest, < na slapen.
Hoest na de slaap ; adem foetide ; volledig verlies van appetijt.
Droge hoest, piepende reutel en afonie ; keel gevoelig bij aanraken ; pijnlijkheid, drukgevoeligheid, gevoel van zwaarte in de linker ovariële streek ; < na slapen ; bleke, schaarse menstruatie, met verlies van seksuele aandrift. θ Bronchitis.
Na influenza, droge, kwellende, schokkende hoest ; < na slapen, de hele winter en de daaropvolgende lente aanhoudend.
Na incidentele aanvallen van hæmoptysis, droge, pijnlijke hoest, < 's nachts en in de vroege morgen, en ook door achterover te liggen. θ Phthisis pulmonalis.
Hoest alsof er wat vloeistof in de verkeerde opening is gekomen.
Bij iedere hoest het gevoel alsof er een zweer in de maag zit.
Hardnekkige, aanhoudende hoest met kokhalzen, door kieteling in de keel, onder het borstbeen of in de maag ; < bij het inslapen of overdag, door temperatuurverandering en alcoholische dranken.
Harde, afmattende hoest en overvloedige expectoratie. θ Hepatitis.
Kind hoest 's avonds bij het gaan liggen, daarna tijdens de slaap, wordt er soms door wakker ; flauw en zwak.
Hoest het meest overdag.
Hoest opgewekt door toegenomen afscheiding van vocht in het strottenhoofd.
Voelt zich tamelijk goed wanneer zij opstaat ; denkt dat zij een goede dagtaak zal kunnen verrichten, tot 11 uur 's morgens, wanneer zij zwak en flauw wordt ; tong pijnlijk dwars over het midden van de ene zijde naar de andere, en klopt ; keel schijnt te zwellen en te kloppen ; hoestbuien, expectoratie van taai slijm ; > na twee uur ; transpireert 's nachts, schrikt plotseling op met verstikking ; verdraagt niet dat de linten van haar hoed strak gestrikt zijn ; geen appetijt ; flatulentie ; neiging tot verstopping ; > buitenshuis en bij beweging.
Hoesten of niezen veroorzaakt stekende pijnen in de aangedane delen. θ Kanker van de uterus.
Sympathische hoest bij hartaandoeningen.
Tijdens hoest : spanning in het hoofd ; pijn in epigastrium, abdomen en anus ; branden in de borst ; ulceratieve pijn boven en langs de ribben ; steken in de borst ; lopen van water uit de mond ; braken ; lozing van urine ; pijn in hemorroïdale gezwellen.
Voortdurende aandrang tot hoesten, met kokhalzen en neiging tot braken.
Bij elke afzonderlijke hoest een steek in een hemorroïdale zwelling.
Pijn in de anus bij hoesten of niezen.
Hoest met heesheid.
Aanvallen van verstikkende, krampachtige hoest, met kieteling in het strottenhoofd.
Dyspneu en hoest, met slijmerige, met bloed gestreepte, zeer overvloedige sputa. θ Gastric nervous fever.
Stekende pijn door de longen met grote dyspneu ; < rechtop zitten of liggen ; > het lichaam voorover buigen en het hoofd achterover werpen ; gevoel van intense beklemming in alle delen van de borst, alsof de longen naar boven in de keel werden gedrukt ; beklemming in de keel alsof er een koord omheen gebonden was, waardoor het nodig is de bedekking los te maken ; gewaarwording alsof het hart omkeerde en een poos ophield met kloppen, waarna de pulsaties in kracht toenemen. θ Spasmodic asthma.
Moet hard en lang hoesten voordat hij iets kan opgeven.
Na een lange, piepende hoest spuwt hij plotseling overvloedig, schuimig, taai slijm op.
Spuugt grote hoeveelheden draderig slijm op. θ Diphtheria.
Expectoratie : schaars, moeilijk, waterachtig, zilt ; moet weer worden doorgeslikt ; persen en braken.
BORST, INWENDIG, EN LONGEN [28]
Drukkende pijn in de borst, alsof vol wind, > door oprispingen.
Vol gevoel in de borst en een duwend, drukkend gevoel van binnen naar buiten. θ Hartziekte.
Samentrekking van de borst die hem na middernacht wakker maakt, met langzame, zware, piepende ademhaling, waardoor hij rechtop moet gaan zitten, voorovergebogen.
Pijn in de borst als van gevoeligheid; branden in de borst.
Steken in de linkerzijde van de borst, met moeilijke ademhaling.
Stekende pijn door de rechterzijde van de borst. θ Hepatitis.
De borst voelt alsof zij verstopt is; kan niet liggen door een gevoel van verstikking; moet deuren en ramen openen om lucht te krijgen; verstikkende, korte hoest, schaarse en moeilijke expectoratie; koorts om 10 uur 's avonds, onlesbare dorst, droogheid in keel en mond, kan door de dorst nauwelijks ademen, moet de mond voortdurend bevochtigen, drinken helpt niet, en zij ziet ertegen op; de koorts begint met koude rilling bij het naar bed gaan, de hitte houdt aan tot 4 uur 's morgens, met tussenpozen van rillingen; zweet tegen de ochtend; scheurende pijn in de slapen tijdens het hete stadium, brandende hitte in het epigastrium; slaperig, dag en nacht, maar kan niet slapen, behalve een weinig tegen de ochtend; frequente mictie, urine schaars, donkerbruin en troebel; abdomen opgezet, flatulentie; kan niets op het abdomen verdragen; weinig eetlust; frequente coryza; gevoel van een bal in de keel, alsof een knoop vast in de keelkuil zit; niet merkbaar bij het doorslikken van voedsel, maar wel bij een poging tot slikken, en daarbij schijnt deze op en neer te gaan, alsof hij rondgedraaid wordt, voelt alsof zij hem zou kunnen opgeven, maar hij komt niet; moet de hele nek onbedekt hebben, kan geen beddengoed verdragen, zelfs de linten van een muts niet. θ Borstaffectie.
Brandend, stekend, als vurige kolen van de borst door naar de schouders.
Hepatisatie, vooral van de linkerlong; grote dyspneu bij het ontwaken. θ Pneumonie.
Pols zeer snel, draadachtig, opgewonden en sterk; frequente kouderillingen en koorts; geen eetlust; constipatie; sputum alsof vermengd met baksteenstof; moedeloos, heimweeachtig en wanhopig; bedekt zijn hoofd met het beddengoed, en zucht en lacht afwisselend, en denkt steeds dat er iets mis is. θ Pneumonie.
Dreigende verlamming van de longen met grote dyspneu en lang aanhoudende verstikkende aanvallen. θ Pneumonie.
Waterzucht van de borst; wordt wakker met verstikking; lever gezwollen; schaarse, donkere urine; hartkloppingen. θ Na scarlatina.
Sissende reutels.
Chronische pleuro-pneumonie; hepatisatie; ademhalingsmoeilijkheden; dyspneu vooral aan de rechterzijde.
Mazelen, gevolgd door kinkhoest, ontsteking van de longen, bloederige expectoratie, hoge koorts en vreselijke hoestbuien; intense capillaire bronchitis; pols 135; droge crepitatie over beide longen, enigszins versluierd door gelijktijdig aanwezige grove bronchiale reutels; uiteindelijk trad ettervorming in beide longen op, met de volgende symptomen: grote vermagering, kadaverachtig uiterlijk, ogen ingezonken en glazig, gerochel in de bronchi, expectoratie van roomkleurige etter, hectische opwellingen, snelle pols, niet goed te tellen, peutert en wroet in het linker neusgat totdat het rauw is en bloedt; lippen verschroeid en droog, tong droog, donkerbruine aanslag aan de wortel, punt rood; beven van de tong bij een poging haar uit te steken; kan de tong niet uitsteken, zij kleeft aan de voortanden; sordes op de tanden; grote prostratie; kan niets om de keel verdragen; klagend gesteun; na elke hoestbui zodanige uitputting dat het lijkt alsof zij zal sterven.
Nuttig wanneer tuberkels na pneumonie volgen.
Vrouw, æt. 26, lang en slank, tuberculeuze aanleg in de familie; hoest sinds meer dan twee maanden; frequent droog, kort en stekend, of hard van klank; verlies van eetlust en kracht; vermagering; duidelijk uitstekende sleutelbeenderen; geen ademgeruis in de achterste bovenste helft van de linkerlong.
Koorts in de namiddag, kouderillingen en opwellingen wisselen elkaar af; pols 112; overvloedig nachtelijk zweet wekt hem uit de eerste slaap, hevige prikkelende hoest, gevoeligheid van het strottenhoofd; moeilijke expectoratie, in harde klonten, met vieze smaak, soms zout; branden diep in de borst, pleuritische pijnen, < door hoesten; ochtendhoest, braken; demping in de linker infraclaviculaire streek, gevoeligheid bij aanraking; kortademigheid, een gevoel van beklemming van de borst. θ Tuberculose.
Moeilijke expectoratie van stinkend, purulent sputum, met persen zelfs tot braken toe. θ Tuberculose.
HART, POLS EN CIRCULATIE [29]
Hart voelt alsof het te groot is voor de ruimte die het bevat.
Gevoel van beklemming rond het hart.
Krampachtige pijn in de precordiale streek, veroorzakend hartkloppingen, met angst.
Hevige pijn in het hart.
Hartkloppingen : met gevoelloosheid van de arm ; verstikkingsgevoel bij de geringste inspanning ; > door te gaan zitten of op de rechterzijde te liggen ; met flauwvallen en angst ; chronisch bij jonge meisjes.
Onregelmatigheid van de hartslagen.
Zij voelt het kloppen van het hart, met zwakte, tot wegzinken toe.
Hartkloppingen na inspanning of plotselinge opwinding > door te gaan liggen ; voelt zich misselijk en flauw ; zijn gezicht wordt wit, maar bij gaan liggen verdwijnen de symptomen binnen twee minuten ; sinds enige tijd heeft hij niet op de linkerzijde kunnen liggen, omdat dit pijn ter hoogte van het hart of doffe beklemming veroorzaakte ; op de rechterzijde liggen is het gewicht van de linkerarm pijnlijk ; volheid ter hoogte van het hart, alsof het tegen de zijde drukt of niet vrij kan bewegen. θ Hartziekte.
Wordt uit een onrustige slaap van enkele ogenblikken gewekt met een hevige schok in de precordia en een gevoel van verstikkende beklemming van de borst ; uiterste ademnood ; gelaat livide en bedekt met warm zweet ; zichtbare hartkloppingen ; het hart schijnt stil te staan en dan met een geweldige sprong weer te beginnen, gevolgd door snelle beving ; pols onregelmatig, de onderbrekingen worden steeds langduriger. θ Functionele stoornis van het hart.
Onrustig, bevend ; angst om het hart ; gehaaste spraak ; verstikking bij liggen ; zwaarte op de borst ; het hart voelt beklemd aan. θ Rheumatisme van het hart.
Onrustig en bevend ; gehaast spreken ; grote benauwdheid ; zielsangst om het hart bij rheumatisme ; onregelmatigheid van de hartslagen. θ Pericarditis.
Trillende prikkelbaarheid van het hart na scarlatina of koortsen.
Voortdurende dyspnoe ; gevoel van verstikking in borst en hartstreek, niet beïnvloed door houding, inspanning, enz. ; pols 160, zwak, klein en af en toe intermitterend ; de hartwerking eveneens ; een mondvol voedsel of drank veroorzaakt benauwdheid, branden en pijn totdat het wordt uitgebraakt ; gelooft dat zij niet zal herstellen, maar zonder angst. θ Hartaandoening.
Genoodzaakt rechtop te zitten en de rechterzijde tegen een met kussens gesteunde stoel te leunen, opdat de pijn in de linkerborst, met dyspnoe, > zou zijn ; pols vaak klein ; kon geen gesloten hals- en taillebanden verdragen. θ Hartziekte.
Hypertrofie van de linkerventrikel, met het gevoel alsof het hart te groot was voor de ruimte die het bevat.
Verstikkingsaanvallen bij aanraken van het strottenhoofd of bewegen van de borst ; flauwvallen en angst bij de geringste beweging van het kind ; paarse kleur van de huid ; koude extremiteiten. θ Cyanose.
Pericarditis of endocarditis na scarlatina of difterie.
Bevordert resorptie van exsudaat bij pericarditis.
Zwaarte in de borst met angst ; krampachtige pijn in het hart, hartkloppingen, gevoel van beklemming ; gevoel alsof het hart één slag oversloeg, veroorzaakt een lichte hoest die de circulatie schijnt te herstellen ; kortademigheid na elke beweging, vooral van de handen ; grote vermoeidheid ; onvermogen om te gaan liggen wegens een verstikkend gevoel van volheid in de borst, noodzaak alle druk van nek en borst weg te nemen en naar adem te happen, wanneer dit > is ligt zij op de linkerzijde met het hoofd hoog ; het meest aangewezen bij gevallen waarin fibrine is afgezet op het oppervlak van het hart, de kleppen of het omhullende vlies. θ Rheumatisme van het hart.
Verwijding van de rechterventrikel.
Vrouw, æt. 50, gezet ; verwijding van de linkerventrikel, aorta en carotis ; wanneer zij rustig was kon zij gaan liggen en een uur of twee slapen ; wanneer opgewonden moest zij bij het open raam zitten ; de bronchiën worden gemakkelijk door kou aangedaan ; de longen lopen vol ; zij kon alleen in rechtopstaande houding ademen, met grote moeite ; voortdurende hoest door kieteling achter het borstbeen, ter hoogte van de bifurcatie ; geen expectoratie, toch schijnt de borst vol vloeistof.
Opwellingen in de borst.
Cyanose van pasgeborenen.
Oppervlak van het lichaam gemarmerd ; iedere poging om de baby op te tillen of te bewegen deed het van pijn uitschreeuwen ; de ademhaling van het kind na een huilbui zo moeizaam dat die bijna op asfyxie neerkwam ; extremiteiten en voeten koud ; gezicht en ledematen opgezwollen. θ Cyanose.
Pols : klein, zwak en versneld ; ongelijk ; intermitterend ; afwisselend vol en klein ; zwak, langzaam, klein.
Pols zwak en leeg. θ Infiltratie op de rug.
Verharding van de aderen en het omliggende celweefsel.
Atheromateuze toestand van de arteriën bij oude mensen.
Capillairen vullen zich na druk op de huid vrij langzaam. θ Scarlatina.
BORSTWAND [30]
Blauwverkleuring van de huid.
Hittegevoel alsof het van een hete kachel op de borstwand komt.
Brandende pijn alsof in het vlees van de borst, twee of drie duim onder de linker tepel.
Zwelling van boven het sleutelbeen tot onder de musculus pectoralis major, glad en elastisch, niet pijnlijk, niet rood.
NEK EN RUG [31]
Blauwverkleuring van de uitwendige hals door uitzetting van de aderen.
Onverdraagzaamheid voor strakke halsboorden.
Pijn in de nek tot wanhoop toe. θ Ziekte van Werlhoff.
Stijve nek, beweegt de kaak met moeite ; scheurende pijn vanuit de nek aan weerszijden omhoog tot op de kruin.
Nek pijnlijk bij aanraking en stijf.
Stijfheid van de nek aan de rechterzijde, pijnlijk bij aanraking, duizeligheid met verstikking in de keel.
Nek gevoelig voor uitwendige druk.
Stijfheid van de nek, met catarre.
Zwelling geheel aan de linkerzijde ; glad, livide aanblik ; verstikkende gewaarwordingen opgewekt door aanraking van de nek of van de zwelling. θ Struma.
Klieren van keel en nek sterk gezwollen. θ Scarlatina.
Zwelling aan de linkerzijde van de nek, van de kaakhoek naar beneden tot dicht bij het sleutelbeen, etterde en het abces werd met de lancet geopend ; daarna ging de patiënt achteruit en raakte zeer uitgeput ; gezicht bleek, van een vuil-grauwe tint, met gezwollen uiterlijk ; eetlust nihil ; onrust dag en nacht ; voortdurend hete, droge huid ; uiterst prikkelbaar en jammerend ; het abces vormde een grote holte waaruit afstoting van celweefsel optrad ; geen teken van gezonde granulaties ; afscheiding stinkend en overvloedig ; pols 140 en klein ; kon wegens de pijnlijkheid van de nek geen vast voedsel eten ; uiterst gevoelig voor alle bewegingen van het hoofd ; overvloedige bloeding uit het abces, ten minste een halve liter bloed ; grote prostratie, weigerde voedsel, de afscheiding nog stinkender, pols snel en zwak ; voortdurend sijpelen van donker gekleurd bloed uit de wond. θ Na scarlatina.
Abces nabij het linker sleutelbeen, nog een aan de linkerzijde van de nek. θ Na scarlatina.
Steken in het bovenste deel van de rug, of langs de wervelkolom van beneden naar boven, of in de hele rug en in de nek, met steken in de rechterarm en een slapend gevoel daarin, met jeuk aan armen, heupen en onderste ledematen.
Vanaf de halswervels tot in de lendenen de gehele rechterzijde van de rug ; over een breedte van drie of vier duim, sterk gezwollen, elastisch, drukpijnloos ; doffe pijnen, ondraaglijk na inspanning, moet gaan liggen in een soort tetanische toestand. θ Infiltratie van het celweefsel.
Myelitis.
Pijn in de rug, met grote onrust, met geeuwen en strekken van armen en benen ; vermoeidheid als na al te grote inspanning, met onhandige, waggelende gang, met schokken, die de adem benemen of naar het abdomen trekken ; kleine, pijnlijke plek, laag in de rug.
Ondraaglijk trekkend gevoel in de lendenen en omlaag in de benen, vooral ter hoogte van de zitbeenderen opgemerkt, vaak 's avonds ; trekkende pijn die zich uitstrekt van de lendenen omhoog over de rug ; trekkende pijn die zich van de rug naar de heupen uitstrekt, met aandrang om te urineren.
Pijn in de lendenen : alsof de onderrug mank en zwak was ; wisselkoorts ; hartkloppingen ; dyspneu ; constipatie ; dysmenorroe.
Zeurende pijn in de lumbale streek. θ Fistel.
Stijfheid in het sacrum, bij bukken of bij het begin van beweging, zich uitstrekkend tot heupgewricht en dij, alsof de pezen te kort waren.
Voortdurende pijn in sacrum en coccyx.
Pijn in het os coccygis bij het gaan zitten, gevoel alsof men op iets scherps zit.
Voortdurende pijn in os sacrum en coccyx ; trekkende, als verstuikt aanvoelende pijn in de lendenen, die beweging verhindert ; martelende pijn bij het opstaan uit een stoel. θ Coccygodynie.
Drukgevoeligheid in de gehele wervelkolom, het meest in de nek, onder het achterhoofd ; hoofdpijn in achterhoofd en voorhoofd ; bij het draaien of bewegen van het hoofd pijn vanuit de halswervelkolom naar de hersenen ; druk van de vinger op de halswervelkolom jaagt pijn naar de hersenen ; druk op de rugwervelkolom jaagt pijn naar de maag ; kan er niet tegen om opgericht te worden, en kan zich wegens hevige pijn in bed niet zelf oprichten ; weinig slaap. θ Aandoening van de wervelkolom.
Meisje, æt. 5 jaar, sinds de leeftijd van twee jaar aangedaan met cariës van de rugwervels, resulterend in een misvormde borstkas, waardoor het kind zwak werd ; verloor de beheersing over beide benen ; tenen bewogen soms onwillekeurig ; hoest overdag wat, maar vooral 's nachts bij het naar bed gaan ; veel dorst ; pijn in de wervelkolom, ligt alleen op de rug ; veel piepen en reutelen van slijm ; koorts en dorst 's nachts ; ademhaling zwak en moeilijk, met blauwverkleuring van het gezicht ; elke hoestbui veroorzaakte zweten ; expectoratie onmogelijk ; slaap sterk onderbroken.
Steenpuisten van een halve duim in doorsnede nabij de wervelkolom, met hevige brandende, kloppende pijn.
Karbunkel aan de achterzijde van de nek, paars of gangreneus.
BOVENSTE LEDEMATEN [32]
Pijn in het rechter schoudergewricht met hoofdpijn.
Lamheid van de linker schouder.
Gevoeligheid van de rechter schouder, < bij erop liggen. θ Hepatitis.
Linkerschouder en linkerarm zwak en lam, < bij liggen op de arm.
Pijnlijk gevoel van zwakte en lamheid in de linker schouder en arm, < door gebruik van de arm ; schouder en arm gevoelig bij aanraking. θ Tumor in linker mamma.
Okselklieren gezwollen, pijnloos, paarsachtig.
Knoflookachtige geur van zweet in de oksels.
Linkerarm bijna dubbel zo groot door elastische infiltratie van het celweefsel.
Armen zo zwak dat zij ze niet kan optillen.
Maakt vreemde bewegingen met de rechterarm alsof naar een voorwerp wordt gereikt. θ Difterie.
Tetterachtige uitslag op armen en handen.
Bruine vlekken op het ellebooggewricht.
Polsen zeer pijnlijk en gezwollen ; kon overdag niet studeren noch 's nachts slapen van de brandende pijn. θ Na bijensteken in beide polsen.
Linkerhand en -arm gevoelloos terwijl pijn en roodheid in de voet verdwenen ; pijn en roodheid keerden in de voet terug, en hand en arm waren weer in orde. θ Rheumatisme gecompliceerd met epilepsie.
Pijn in de polsgewrichten alsof ze verstuikt zijn.
Trekkingen van de handen. θ Diarree.
Tintelingen en prikkelingen in de linkerhand ; de handen vallen in slaap.
Beven van de handen. θ Bij dronkaards.
De handen zijn koud alsof ze dood zijn.
Zwelling van de handen.
Phlegmoneuze ontsteking van de hand met grote zwelling en neiging zich naar boven over de arm uit te breiden.
Donkerblauw-zwartachtige, harde zwelling van handrug en vingers, ijzig koud, met brandend gevoel, gevoelig bij aanraking in dagelijkse aanvallen, die plotseling opkomen en langzaam verdwijnen ; omhoog wrijven bespoedigt het verdwijnen ; na aanraken van ijs.
Livide zwelling van handrug en vingers van de rechterhand ; begon met hevige jeuk en "gekruip" ; de hand wordt blauw en geleidelijk donkerder, gevlekt, zeer hard ; koud, maar lijkt hem brandend heet ; gevoelig voor druk ; branden en prikken in de vingertoppen ; warmte van de kachel > de pijn, maar < het gekruip ; kloppende pijn aan de buitenzijde van de pols ; stekende pijn uitstralend tot de elleboog ; krampachtige pijn in de elleboog bij het dragen van de arm in een mitella ; pijn op één kleine plek onder de schouder, prikken en branden in de hand terwijl het langzaam wegtrekt.
Een arbeider had drie dagen tevoren tussen timmerhout gewerkt en dacht dat hij vergiftigd moest zijn ; twee dagen geleden begon de hand te zwellen, totdat zij driemaal zo groot was ; zeer rood, indeukbaar bij druk ; tussen de eerste en tweede knokkel een opening zo groot als een muntstuk van drie cent, uitziend als vuile zachte zeep ; rondom deze opening en langs de eerste drie knokkels was de huid blauwzwart en door gas opgeblazen ; de huid onder de zwarte huid zag er verrot uit, week uiteen bij het spreiden van de eerste en tweede vinger, tonend hetzelfde zeepachtige aspect ; de hand brandde (diep vanbinnen) vreselijk ; pijn in rode strepen die vanaf de pols omhoogliepen ; voortdurende dorst ; pols niet snel, maar zacht.
Duimen buigen naar binnen. θ Epilepsie.
Rheumatische zwelling van wijsvinger en pols.
Panaritium, blauwachtige zwelling ; stekende, prikkende pijnen zeer hevig ; erysipelas ; necrose, met fistelopeningen ; krijgt een paarsachtige tint, wordt gangreeneus.
Vinger sterk gezwollen, ziet blauwachtig, heeft fistelopeningen waaruit botsplinters zijn afgescheiden, sinds drie maanden in deze toestand, gedurende welke tijd de vrouw tweemaal last had van slikmoeilijkheden. θ Zwerende vinger na beet van een dronken man, gecauteriseerd.
Prikken in de uiteinden van de vingers. θ Panaritium.
Fijt met necrose van de pees en sterke verkleuring.
Rechter wijsvinger geatrofieerd ; foetide sanieuze afscheiding van onder de nagel ; huid rond de nagelwortel geelbruin, op sommige plaatsen naar paars neigend. θ Onychia.
Wratten en uitwassen op handen en vingers.
Gevoelloosheid van de vingertoppen ('s morgens).
Koude, zweterige handen.
Blauwachtig, gevlekt voorkomen van de handen.
Panaritium, prikken, tintelingen, meer dan steken ; wijd rondom blauw verkleurd.
Fijten, met wild vlees.
ONDERSTE LEDEMATEN [33]
Pijnlijke stijfheid vanuit de lendenen omlaag naar heiligbeen en dijen.
Samentrekking van de psoasspier, na een abces.
Coxalgie, < 3 uur 's middags en na de slaap.
Beurs gevoel in de heupen. θ Dysmenorroe.
Ischias sinds vijf dagen, met ondraaglijke schietende pijnen, uitstralend van de linkerheup tot in de voet, gevolgd door een gevoel van intense hitte als van een heet strijkijzer in de aangedane delen, en daarna door transpiratie en algemene uitputting ; de pijnen persten kreten af, < na het slapen.
Voeten en benen oedemateus, rechterbeen < ; bleek gezicht ; tong geel ; sclera geel ; rechtszijdige ischias 's nachts, waardoor hij wakker wordt ; de pijnen komen plotseling en verdwijnen geleidelijk.
Pijn die voortdurend van plaats verandert, nu in het hoofd, dan in de tanden, dan in de nervus ischiadicus, vergezeld van nervositeit, hartkloppingen ; branden als vuur in de onderbuik, de lumbale streek en achter het sternum. θ Ischias.
Pijn in de dijen, alsof zij gezwollen waren, aan de achterzijde.
Gressus gallinaceus.
Zwakte, vooral van de benen.
Onrust in de onderste ledematen.
Gevoel van zwakte in de knieën na het eten, met druk in de maag.
Gevoel als van een verstuiking in de rechterknie.
Stekend-scheurende pijn in de knieën, met zwelling.
Zeurende pijn in de knieën bij het ontwaken in de ochtend.
Gevoel alsof hete lucht door de kniegewrichten trok, die wankel waren.
Linkerknie voelt alsof zij verstuikt is.
Zwelling van de knieën, spanning in de knieholte, moeite met strekken.
Pijn in de benen en stijfheid in de knieën na het zitten.
Dicht bij het linkerkniegewricht een tros spataderen ter grootte van een vuist ; de aderen zo dik als een duim en hard als een touw.
Samentrekking van de hamstrings, na een knieholte-abces.
Gewrichtsvloeistof uitgedroogd ; pijn in de knie dag en nacht.
Aan de buitenzijde van de knie blauwachtige roodheid. θ Erysipelas van het been.
Veel pijn van een zeurend karakter, alleen in de scheenbenen.
Een halfpijnlijke gewaarwording als van een zere plek onmiddellijk onder de onderrand van de patella van het linkerbeen, deze onbeduidende klacht maakte hem bijna dol ; grote ziele-angst, alsof er een verschrikkelijk onheil dreigde, en dat gevreesde onheil op de een of andere manier met de pijn samenhing, maar hoe, kon hij niet zeggen.
Pijnen alsof verbrand op verschillende plaatsen van de tibia, eerst jeukend, maar na het wrijven verschenen eerder gevoelige plekken zo groot als een kwart dollar, met donker blauwrode randen en droge schilfers.
Cariës van de tibia.
Erysipelas met pustels ; been gezwollen blauwrood, etter ontlastend uit verscheidene openingen, met het voorkomen van een grote karbonkel, met jeuk.
Erysipelas van het been ; onrustig, kon niet slapen, de geringste beweging of aanraking van het been bracht het kind bijna in convulsies ; zeer toornige uitdrukking, donkerblauwe vlekken aan het bovenste deel juist onder de knie, de rest van het ledemaat donker, glanzend rood.
Zweer op het rechterbeen, met spataderige zwelling, na een val.
Been onder de knie verschrikkelijk gezwollen, zwart en gevlekt. θ Ratelslangbeet in teen.
Phlegmasia alba dolens.
Harde rode plek, met korsten op de kuit van het linkerbeen ; gevoelig ; dunne, gele vochtafscheiding van onder de korsten ; jeuk, vooral bij koud weer.
Benen, van de knieën tot het uiteinde van de grote tenen, bedekt met schubben, cirkelvormig of elliptisch, verheven en aan de omtrek los, in het midden vastzittend en van hoornachtige consistentie, rustend op een purper-blauwachtig gekleurde basis ; < elk voorjaar ; jeuk en branden, vooral bij warm weer, en wanneer verhit, of warm in bed. θ Eczeem.
Vlakke zweren : met dunne, stinkende afscheiding en blauwachtige areola ; worden erysipelateus door beweging.
Zweren van de benen ; bodem van de zweren ongelijk en vuil ; afscheiding dun, geur beledigend.
Na 's nachts aan de benen te hebben gekrabd tot ze rauw waren, snelle ettering, gevolgd door een grote, vuil uitziende, pijnlijke zweer.
Nadat een spijker in de voet was gelopen, waarvoor een zalf werd gegeven, ontstond een kleine zweer waar de spijker had doorgedrongen, spoedig gevolgd door andere, totdat het hele plantaire oppervlak bedekt was ; zeer weinig vocht uit de zweren, die spoedig begonnen op te drogen, waarbij zich een dikke, droge schil vormde die de voetzool bedekte, op sommige plaatsen een halve duim dik.
Had gedurende een jaar wassingen van kopersulfaat, zinksulfaat, loodsuiker, enz. gebruikt ; de zweer droogde tenslotte op en de patiënt werd ontslagen als genezen ; na kou te hebben gevat, enkele weken later, brak haar gehele voet en enkel uit in kleine zweren, gelijkend op de oorspronkelijke zweer ; veel pijn in de zweren, jeuk van voeten en enkels, bijna ondragelijk ; been < na de slaap en > door warmte.
Chronische trage zweren van de benen, vlak met paarse huid ; vele kleine zweren rond de hoofdzweer, die een ongelijke bodem heeft, brandt en bloedt, zelfs bij lichte aanraking ; ichoreuze, stinkende afscheiding.
Kwaadaardige phagedenische zweren.
Zwarte, gangreneuze zweren en wonden aan de benen.
Chronische zweren van de onderste extremiteiten (waarschijnlijk van syfilitische oorsprong) waarbij de afscheiding ophield ; extremiteit oedemateus en hard, licht rood, zwelling die zich omhoog uitstrekt langs het verloop van de hoofdaderen ; grote en plotselinge krachteloosheid ; laag, mompelend delier en algemene tyfoïde verschijnselen. θ Flebitis.
Verscheurende, schokkende, reumatische pijnen in de benen zodra hij in slaap valt ; onregelmatige werking van het hart en klepgeruis door reumatische metastase ; doodsbleek gezicht. θ Reuma.
Onrust in de onderste ledematen.
Beven van de benen.
Convulsies vooral hevig in de onderste ledematen, koude van de voeten, achterover strekken van het lichaam en uitschreeuwen.
Zwelling van linkerbeen en -voet.
Rozerode zwelling van de enkels. θ Erysipelas.
Verwonde enkels ; ernstige kneuzingen en scheurwonden ; gangreen ; blauwpaarsige blaren die een vuil uitziende asgrijze ondergrond bedekten.
Vrouw, æt. 40, die een jaar niet gemenstrueerd had, verstuikte haar voet ; na inspanning enkel zeer gezwollen, erysipelateus tot aan de knie ; stekende pijn in de enkel bij het lopen ; bovenste deel van de voet bedekt met donkere, lensvormige puistjes.
Pijn in de tweede teen van de rechtervoet ; tegen de avond livide zwelling tot aan de knie, pijnlijker wanneer hij liep ; pijn in beide knieën ; kan de voet niet uitstrekken ; teen pijnlijk bij druk.
Voet als marmer door spataderige zwellingen.
Zwelling van de voeten, < na het lopen. θ Tijdens de zwangerschap.
IJzige koude van de voeten ; koude vóór een epileptische aanval.
Tinteling in de tenen.
Gangreneuze zweren aan benen en tenen ; rhagaden van de tenen.
Wild vlees rond ingegroeide teennagels of in oude wonden, stekend ; purperachtig voorkomen.
Ontsteking en ettering van oude wintertenen.
Reumatische zwelling van wijsvinger en polsgewricht ; reumatische pijnen in de knieën, stekend, scheurend en met gevoel van zwelling ; zwelling van de knieën met spanning in de knieholten, moeite met het strekken van het ledemaat en pijn van de dij (achteraan alsof gezwollen ; blauwrode zwellingen ; pijnen < na het slapen ; na overvloedig zweten vooral de linkerzijde aangedaan ; of de aandoening begint rechts en gaat over naar links ; arthritische samentrekkingen van de ledematen na misbruik van kwik en kinine. θ Reuma.
LEDEMATEN IN HET ALGEMEEN [34]
Wondroos van benen of armen ; oppervlak blauwachtig, zwelling glanzend, dreigende gangreen.
Rheumatisme, met zwelling van polsen en enkels.
Drie jaar geleden, na hevige gemoedsbeweging, plotseling uitblijven van de menstruatie, sindsdien hoofdpijn, tandpijn, pijn in de gewrichten, ischias ; sinds het laatste jaar dwalende pijnen in de gewrichten, vooral 's morgens bij het ontwaken ; nerveuze prikkelbaarheid, hartkloppingen, brandend als van vuur in de onderbuik, lendenen en achter het borstbeen ; voorbijgaande hitteopwellingen in het gezicht, zonder zweet ; verlies van eetlust ; witbeslagen tong ; drukkend gevoel in de maag ; constipatie ; verscheidene droge, pijnloze spataderen aan de anus.
Acuut of chronisch rheumatisme, elk jaar terugkerend.
Blauwachtige zwelling van de gewrichten, na verstuikingen.
Donker blauwachtige zwelling van het celweefsel, aan handen, armen, benen, zeer gevoelig ; dreigende gangreen.
Steenpuisten op dijen en vingers.
Nachtelijk branden in handpalmen en voetzolen.
Ledematen stijf, gestrekt of gebogen, na misbruik van kwik.
Arm en been paretisch ; kruipend gevoel alsof zij slapen. θ Infiltratie op de rug.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Liggen : duizeligheid ; pijn in het hoofd > ; drukkende of barstende pijnen in de slapen ; zodra iets de keel aanraakt, lijkt het alsof hij zou stikken, pijn veel < ; pijn boven in de keel ; voortdurende hoest ; de geringste bedekking over neus en mond veroorzaakt verstikkende dyspneu ; pijn in de longen < ; stijfheid in het heiligbeen.
Op de rechterzijde liggend : > oorpijn in het rechteroor ; hartkloppingen > ; het gewicht van de linkerarm op de linkerzijde is pijnlijk ; alsof iets naar die zijde van het abdomen rolde.
Kan niet op de linkerzijde liggen : veroorzaakt pijn ter hoogte van het hart.
Bij liggen op de rechterschouder : pijn <.
Op de linkerzijde liggend, met het hoofd hoog : verstikkingsgevoel >.
Liggen op de linkerarm : schouder en arm zwak en lam.
Op de rug liggend : onwillekeurige urine-afgang ; pijn in de wervelkolom ; mond open ; moet bij peritonitis, tyflitis op de rug liggen met opgetrokken knieën.
Voortdurende neiging om te gaan liggen : acute pijn in het abdomen.
Moet gaan liggen : pijn in de rug ondraaglijk.
Kan niet staan, moet gaan liggen : kind verliest het bewustzijn.
Liggend met lichaam en ledematen dubbelgetrokken : tijdens koude rilling.
Liggende houding onmogelijk : door gevoel van verstikking ; ontsteking en zwelling van de tonsillen.
Kan niet rustig liggen, staan of zitten : pijn in rug en ledematen.
Opstaan uit liggende houding : hoest.
Moet wegens pijn in rug en ledematen vaak van houding veranderen.
Het hoofd moet steeds hoog liggen : gewoonlijk op de hand steunend.
Zitten : veroorzaakt pijn in de dijen en stijfheid van de knieën ; voortdurende hoest ; bemoeilijkte ademhaling ; pijn in de longen en dyspneu < ; hartkloppingen > ; pijn in het stuitbeen ; pijn in de benen ; stijfheid van de knieën.
Bij het aannemen van een rechtopstaande houding : gaan de pijnen in het hoofd over in bonzen op de kruin.
Kan alleen in rechtopstaande houding ademen.
Kon niet overeind zitten zonder hulp.
Bij voorovergebogen zitten : ademhalingsmoeilijkheid > ; samentrekking van de borst >.
Vooroverbuigen : krampachtige koliek > ; stijfheid in het heiligbeen.
Het hoofd achteroverbuigen : keel en strottenhoofd pijnlijk.
Achteroverbuigen en het hoofd naar achteren werpen : pijn in de longen >.
Bij het omhoog reiken : duizeligheid.
Bukken : duizeligheid ; drukkende, barstende pijnen in de slapen ; duizelig ; drukkende hoofdpijn <.
Staan : lichaam buigt naar links ; snijdende pijnen in het rectum <.
Kon niet staan : duizeligheid.
Achteroverstrekken van het lichaam : tijdens convulsies.
Kan de voet niet uitstrekken : pijn in de knie.
Opstaan : flauwte ; pijn boven op het hoofd en duizeligheid ; wankelt achteruit ; sleept zich met de grootste moeite voort ; snijdende hoofdpijn <.
Opstaan van de stoel : martelende pijn in de lendenen.
Kan zich in bed niet oprichten : wegens hevige pijn.
Kon het hoofd nauwelijks van het kussen opheffen.
Niet in staat de armen op te heffen : wegens zwakte.
Kan de arm niet gebruiken : wegens pijn in de linker mamma ; gedwongen te gaan liggen.
Gebruik van de arm : pijn < ; kortademigheid en verstikkingsaanvallen < ; zwakte en lamheid in linker schouder en arm.
Het hoofd opheffen : pijn in het hoofd <.
Het hoofd draaien : pijn in de keel < ; pijn vanuit de halswervelkolom tot in de lies.
Verbeterd door het hoofd te schudden.
Omrollen : gevoel alsof er een bal rondrolde in de urineblaas of het abdomen.
Van zijde tot zijde rollen in bed : verstikkingsaanvallen ; van uur tot uur.
Maakt vreemde bewegingen met de rechterarm.
Slaat met de armen om zich heen : tijdens verstikkingsaanvallen.
Werpt zich in allerlei houdingen : om adem te krijgen.
Plotseling achteroverwerpen van het hoofd.
Beweging : afkeer van elke soort ; pijn in het hoofd < ; drukkende of barstende pijnen in de slapen ; bonzen in het hoofd ; beweging van de slaap- en kauwspieren < pijn in het oor ; beweging van de ledematen ; het vlees pijnlijk ; de geringste beweging hernieuwt het braken ; veroorzaakt ondragelijke pijn in het abdomen ; snelle beweging, pijn in de rechter eierstok < ; veroorzaakt hartkloppingen ; borstklachten > ; veroorzaakt verstikkingsaanvallen ; stijfheid in het heiligbeen.
Iedere beweging : kloppen in het hoofd ; veroorzaakt flauwvallen en angst ; van de handen veroorzaakt kortademigheid ; van het been brengt het meisje bijna in convulsies ; vlakke zweren worden erysipelateus.
Kan zich niet bewegen : zenuwpijnen overal.
Kan niet staan of de benen bewegen : behalve een onwillekeurig optrekken van de tenen.
Moeite om de tong te bewegen : met onmogelijkheid de mond wijd te openen.
Stappen : < pijn in het oor.
Lopen : sleept met de voeten ; duizeligheid ; achteruit ; steek in de rechterzijde ; schietende pijn in de miltstreek ; voortdurende hoest ; benauwdheid en ademgebrek < ; stekende pijn in de enkel ; zwelling van de knie pijnlijk ; gevoel alsof hij voorover valt ; werd vóór de koude rilling blind en duizelig.
Overinspanning : pijn in de rechter eierstok <.
ZENUWEN [36]
Zenuwprikkelbaarheid ; onrust ; schoktrekkingen.
Onrustig woelen, kreunen ; kinderen met keelpijn.
Zenuwexaltatie ; hysterie.
Trillen van het hele lichaam, denkt dat zij zal flauwvallen of door zwakte zal ineenzinken.
Trillen van de ledematen en inwendig, met koorts en flauwte, 's avonds. θ Tyfoïde koorts.
Zenuwpijnen overal ; hysterische aanvallen van trillen ; kan niet bewegen, werken of slapen ; duistere voorgevoelens over de toekomst ; elk nieuws, elke opwinding of een hard woord maakt < ; < na slaap. θ Zenuwaandoening.
Krampen in borst en abdomen ; met huilen en luid klagen ; droogheid in mond en keel ; gevoel alsof het epitheel van het tandvlees afpelde. θ Hysterie.
Kind verliest nu en dan een seconde lang bewustzijn en zicht, draait en verdraait de ogen als iemand die tegen de slaap vecht ; de oogleden sluiten zich en het hoofd zakt in één ogenblik weg ; kan niet staan, moet gaan liggen.
Kruipt over de vloer, lacht en is afwisselend erg knorrig ; aanvallen duren van een half uur tot een uur ; kind gedraagt zich vreemd, wil niet met andere kinderen spelen ; toont geen liefde voor de moeder ; lijkt haar moeder en vrienden te haten, verstopt zich ; loopt weg voor vreemden, kijkt hen tussen haar vingers door aan ; bijt en spuugt naar andere kinderen ; is zes jaar geleden door een slang verschrikt.
Spasmen van de benen.
Convulsies, vooral heftig in de onderste ledematen ; koude voeten ; achteroverstrekken van het lichaam en uitschreeuwen.
Convulsies en andere spasmen, met hevig gillen.
Hevige pijn in het achterhoofd ; heftige convulsies, waarvoor verscheidene sterke personen nodig zijn om te verhinderen dat zij zichzelf verwondt ; probeert het haar aan de achterzijde van het hoofd uit te trekken.
Bewusteloos ; handen gebald ; linkerhand, linkervoet en rechteroogleden voortdurend in beweging ; pijnloos abces aan de binnenzijde van de rechterpols, één duim (ongeveer 2,5 cm) in doorsnede.
Delier en convulsies door nachtelijk waken, oververmoeidheid en zorgen.
Plotseling en krachtig uitsteken en terugtrekken van de tong.
Na het doorprikken van de oren, chorea ; < linkerzijde ; linkerzijde van het lichaam voortdurend in beweging ; knorrig, prikkelbaar ; gooit alles weg wat zij op dat moment in de handen heeft ; oren pijnlijk en geülcereerd waar zij doorprikt waren ; ten slotte werden de bewegingen zeer heftig, gedeeltelijke verlamming van de linkerzijde ; kon niets in de hand houden ; bij het lopen vaak struikelen en met de linkervoet slepen ; onnatuurlijk spraakzaam ; < na slaap.
Grote neerslachtigheid en angst voor de dood ; nek stijf en gevoelig bij aanraking ; blauwe vlekken of blaren op de huid ; epistaxis ; bloeding uit de darmen van ontbonden bloed ; grote uitputting. θ Chorea.
Epilepsie ; door onanie of anderszins samenhangend met de seksuele functie na grote wellustigheid, jaloezie, fluor albus of zaadlozingen ; tijdens de catamenia ; tijdens het climacterium ; tijdens de slaap.
Epileptische convulsies ; oogbollen naar boven gedraaid ; schreeuwt, valt bewusteloos neer, schuim op de mond, plotseling en krachtig uitsteken van de tong ; handen gebald ; trekkingen van de ledematen ; diepe slaap.
Kruipend gevoel beginnend achter in de nek en zich langzaam langs de wervelkolom naar beneden bewegend. θ Epilepsie.
Voor de aanval : koude voeten ; hartkloppingen ; opgeblazen abdomen ; oprispingen ; zwaar gevoel in het hoofd ; duizeligheid ; hoofdpijn ; bleekheid van het gezicht. θ Epilepsie.
Hoofdpijn en bloedstuwing naar het hoofd ; vóór de aanval verstrooid, verward ; werpt het hoofd naar achteren, schuim op de mond, balt de handen, slaat met armen en benen om zich heen ; tussen de aanvallen hevige duizeligheid ; voortdurende hoofdpijn ; hittegevoel in het voorhoofd ; trillen van de ledematen, < linkerzijde ; merkwaardige dromen 's nachts. θ Epilepsie.
Met handen en voeten om zich heen slaan. θ Epilepsie.
Een week na een bevroren teen die geülcereerd was, koude rillingen ; schietende pijn in de rug ; opisthotonos, binnen vierentwintig uur trismus ; remissie van middernacht tot de middag ; na middernacht overvloedig zweet en onrustige slaap ; keel gevoelig voor aanraking, slikken pijnlijk. θ Tetanus.
Eigenaardige tetanische gelaatsuitdrukking, halfgesloten ogen en stijfheid van de nek ; gedeeltelijke kaakklem ; rigiditeit en pijn in de rugspieren ; nadat de twee buitenste kootjes van de derde teen rechts waren afgesneden doordat een rijtuigwiel eroverheen was gegaan ; de weke delen van de teen zien er negen dagen na het ongeluk gangreneus uit.
Steken in de hartstreek, in aanvallen, drie- of viermaal per dag ; prikkelhoest met bloedspuwen ; de pijnen benemen hem de adem zolang zij duren, maar houden plotseling op ; hoest overdag en na het gaan liggen, geen in de nacht ; geeft 's morgens bloed op ; opisthotonos met slechts een ogenblik verlies van bewustzijn ; trismus met beklemming van de keel, trekt en scheurt aan de keel ; verscheidene aanvallen snel na elkaar.
Hydrofobie.
Climacterium ; menstruatie onregelmatig ; bloed schaars, donker, vloeibaar en soms klonterig ; sinds een jaar frequente kataleptische aanvallen, voorafgegaan door een koud, stijf gevoel van de bovenlip, alsof zij een snor van ijs had. θ Katalepsie.
Gevoel van vermoeidheid ; matheid ; uitputting als bij warm weer ; neiging om te gaan liggen, vooral na het eten.
Grote zwakte in de rug, zich uitbreidend naar de ledematen.
Grote lichamelijke en geestelijke uitputting, zakt voortdurend ineen van zwakte ; < in de ochtend.
Zwakte van het hele lichaam, 's morgens bij het opstaan, vooral in armen en voeten.
Zwakte 's morgens in de slaap ; bij het ontwaken algemeen ziek gevoel, duizeligheid, loodgevoel in het achterhoofd, kan het hoofd nauwelijks van het kussen heffen ; alle gewrichten voelen alsof ze verstuikt zijn.
Gevoel alsof het lichaam door een ontbindende neiging werd overmand, met wegzinken van alle krachten.
Trillen over het hele lichaam ; uitgeput, flauw.
Flauwvallen, met pijn in het hart, misselijkheid, bleek gezicht, duizeligheid.
Musculaire prostratie. θ Difterie. θ Scarlatina.
Zwaar gevoel en dofheid in het hoofd, vooral in het achterhoofd ; hittegevoel in het hoofd ; handen verdoofd ; zwaar gevoel < door beweging, > bij stilzitten ; hoe hoog het hoofd ook wordt gelegd, zij vindt het te laag ; slaperigheid in de namiddag om de andere dag ; opschrikken bij het inslapen ; hitte in hoofd en armen 's nachts, met zwakte in het epigastrium ; slaapt weinig, en volheid en zwaar gevoel in het hoofd zijn < in de ochtend ; onrust, die haar van plaats naar plaats drijft ; symptomen verplaatsen zich ; nu meer in de linkerarm, dan weer in een voet, die ijskoud is ; elke verkoudheid bezorgt haar keelpijn ; zwelling en stijfheid, pijnlijk bij slikken en bij aanraking ; nu en dan een plotselinge steek in de hartstreek, die haar zwak maakt ; hemorroïdale tumoren, zeer pijnlijk tijdens de stoelgang ; frequente aandrang ; menstruatie te laat en overvloedig, met bonzende hoofdpijn.
Geen slaap tot na middernacht ; grote moedeloosheid en droefheid, geheugenzwakte ; hoofdpijn in de zon, met flikkeren voor de ogen ; gezwollen tandvlees dat gemakkelijk bloedt ; keelpijn, met gevoel van volheid, of alsof er een prop in de keel zit ; tonsillen vergroot ; voortdurende droogheid van de keel ; frequent volledig verlies van de stem ; brandende pijn in de streek van de linker eierstok, menstruatie onregelmatig ; bijtende leucorroe gedurende tien dagen na de menstruatie ; alles verzuurt in de maag, voortdurend brandend maagzuur ; drukkende, brandende pijn boven op het hoofd, van binnen naar buiten ; droge prikkelhoest ; hartkloppingen ; constipatie ; koude ledematen beneden de ellebogen en knieën. θ Algemene instorting na herhaalde aanvallen van pneumonie.
Menstruatie onregelmatig ; onderdrukt sinds acht maanden ; gezwollen abdomen ; onrustig, nerveus, ziekelijk spraakzaam en klagend, maar geeft een zeer warrig relaas ; geen slaap gedurende drie nachten, deels ten gevolge van zenuwachtige onrust, deels door wat zij rillings- en schudaanvallen noemt die over haar komen ; sedert enige tijd is de slaap onderbroken, gevolgd door hoofdpijn en moedeloosheid ; de geringste zorg en opwinding brengen haar in hitte en koorts ; schaarse urine, donker gekleurd, kwalijk riekend, met veel pijn geloosd ; neiging tot dunne stoelgang ; nerveus en ontmoedigd na het eten ; misselijkheid en druk op de maag ; kleding losgeknoopt en heel los aan het bovenste deel van de borst, zegt dat zij strak niet kan verdragen, evenmin als iets strak om haar middel ; flauwte en honger omstreeks 11 A. M. θ Algemene uitputting na de bevalling.
Plotseling gezichtsvermogen bijna verdwenen ; spraak verstoord, na enkele minuten spreken leek een gordijn neer te vallen voor de keelholte ; tanden voelen alsof ze vastgeklemd zitten ; tong voelt als verbrand ; kan niet geeuwen wegens stekende pijn rond de tongwortel ; bij snel eten blijft het voedsel in de keel steken ; pijn boven de ogen en pijnlijk gevoel in de oogbollen ; moet lezen en naaien met de bril van een tachtigjarige ; uitpuiling vlak vóór de huig, die zeer zacht is en als pus aanvoelt ; aan de top van de uitpuiling een witachtige verhevenheid, alsof een abces op het punt stond door te breken. θ Postdifterische aandoening.
Met lichaam en ledematen ineengekromd liggend ; neus, oren en voorhoofd zeer koud ; duizeligheid en blindheid ; huid verschrompeld, koud, livide ; pols draadvormig, verdwijnend ; snel gapen, onophoudelijk zuchten ; blauwe kringen rond de ogen ; toenemende stupor. θ Shock na verwondingen.
Onhandige gang ; linkerzijde zwak.
Gressus gallinaceus.
Linkerzijde van het lichaam verdoofd, koud ; abdomen en voeten ook koud ; vonken voor de ogen ; bij het lopen gevoel alsof hij voorover valt, pijn van de kruin naar beneden. θ Beginnende verlamming.
Progressieve locomotorische ataxie.
Verlammingen berustend op een apoplectische toestand van de hersenen, uitputting of temperatuurextremen.
Lichaam buigt bij het staan naar links, moet ondersteund worden ; sleept met de voeten bij het lopen, de richting van de passen is naar links.
Verlamming : linkszijdig ; na apoplexie, of cerebrale uitputting ; pijnlijk.
Kind, mompelend delier ; gelig rode, droge, trillende tong ; matige dorst ; pols 70 ; korte tijd helder wanneer het wakker is, zakt dan weer weg in delier ; verlamming van de motorische zenuwen van de linkerledematen.
Na blootstelling volledige verlamming van beide benen, kan niet staan of de benen bewegen, met uitzondering van af en toe onwillekeurig optrekken van de tenen ; hoest < gedurende de nacht en bij het naar bed gaan ; dorst tijdens de maaltijden, drinkt veel ineens ; pijn in de wervelkolom, ligt 's nachts alleen op de rug ; uiteindelijk wordt de hoest heviger en gaat gepaard met koorts en dorst ; ademhaling zwak, moeilijk, met blauwheid van het gezicht ; elke hoestaanval veroorzaakte transpiratie ; expectoratie onmogelijk ; slaap onderbroken.
SLAAP [37]
Grote slaperigheid.
Slaperigheid zonder te kunnen slapen.
Zodra hij in slaap valt, stopt de ademhaling.
Bij het inslapen wordt hij wakker door prikkelhoest.
Kon niet slapen door verstikkingsgevoel. θ Scarlatina.
Slaperig en zwak na het middagmaal.
Aanhoudende slapeloosheid.
Tegen de avond klaarwakker en spraakzaam; levendig zodra het gas wordt aangestoken.
Slapeloos: door angst; vooral voor middernacht, met spraakzaamheid; door inwendige onrust; abdomen en borst lijken gezwollen; onrustig en nerveus, brandend gevoel in de voetzolen, overal stekende pijn.
Bang om te gaan slapen uit vrees dat hij zal sterven voordat hij weer wakker wordt.
Woelt heen en weer, kreunt tijdens de slaap; kinderen.
Onrustige slaap, met dromen en frequent wakker worden.
Wordt 's nachts wakker en kan niet meer opnieuw inslapen.
Klachten komen op tijdens de slaap, en de patiënt ontwaakt in benauwdheid of pijn; hoest, astma of spasme.
Werd in een schrik wakker door iets onbeduidends.
Bij het ontwaken: duizeligheid; droge, prikkelende hoest; alle symptomen erger.
Niet verkwikt na een goede slaap. θ Hartziekte.
Onrustige slaap, met veel dromen en frequent wakker worden.
Voortdurend dromen, vaak wakker worden, daarna weer indoezelen en dromen; 's morgens is hij zwaar en uit zijn doen.
Wellustige dromen.
TIJD [38]
Ochtend : ongelukkig en geestelijk bedrukt ; grote droefheid ; zwaar gevoel en neerslachtigheid ; duizeligheid ; bij het opstaan hoofdpijn boven de ogen ; zwaar gevoel in het achterhoofd ; braken van voedsel en slijm ; neusbloeding ; dikke, gele afscheiding uit de neus ; bij het ontwaken ogen < ; pijn in oog en hoofd < ; alsof zij van uitputting zou sterven ; uitblazen van bloed ; de huid begon rood te worden en op te zwellen ; keel > ; harde hoest ; braken van gal ; pijn in het rectum < tot de namiddag ; ovaritis < ; bemoeilijkte ademhaling ; gevoelloosheid van de vingertoppen ; zeurende pijn in de knieën ; voelt zich beurs.
Om 9 uur 's morgens : aangezichtsneuralgie begint.
Voormiddag : gebrek aan eetlust.
Van de middag tot middernacht : visioenen en ijlend spreken < ; gezwollen gezicht ; erysipelas <.
Overdag : slaapt telkens een of twee minuten ; klachten > ; hoofdpijn ; korte, droge hoest ; na een dutje keelschrapen met slijm en schraalheid in de keel ; na het slapen pijn in de keel < ; zeer slaperig maar kan niet slapen ; verscheidene aanvallen van misselijkheid, met kortademigheid ; slaap < pijnen in het abdomen ; hitteopwellingen ; gevoel van een vreemd lichaam in de keel ; voortdurende hoest ; hoest < ; onrust ; pijn in de knie ; praat te veel ; jeuk in aanvallen.
Namiddag : aanvallen van delirium tremens ; hoofdpijn < ; gevoeligheid van de kruin verandert in schietende pijn ; aangezichtsneuralgie verdwijnt ; tonsillitis < ; koorts < ; dyspneu < ; hevige kouderilling ; wisselkoorts, < 2 uur 's middags.
Om 3 uur 's middags : coxalgie >.
Avond : duizeligheid ; pijn in het achterhoofd ; blauwachtig-grijze ring voor de ogen ; klaarwakker en spraakzaam ; voelt zich bijna goed ; pijn diep in het linkeroor ; als iets de keel aanraakt, lijkt het alsof hij zou stikken ; pijn veel < ; gevoeligheid van de keel < ; waterachtige ontlasting met branderigheid ; hoest bij het gaan liggen ; trekkend gevoel in rug en benen ; beven van de ledematen ; hevige kouderilling ; hitte in handen en voeten ; branden in handpalmen en voetzolen.
Van 9 uur 's avonds tot het naar bed gaan : nerveuze hoest.
Nacht : spraakzaamheid ; delier ; slaapt niet ; pijn komt op en houdt aan tot het einde van de volgende dag ; korte, droge hoest ; scheurende pijn aan de zijkant van het hoofd < ; orbitale cellulitis < ; oorpijn in het rechteroor ; eruptie onder het oog jeukt ; jeuk in het gezicht ; droogheid in de keel ; comateus ; zeer slaperig, maar kan pas tegen de ochtend slapen ; de geringste aanraking van mond en neus veroorzaakt dreigende verstikking ; ontlasting bloederig en slijmerig ; achttien of twintig ontlastingen ; voortdurende erecties ; menorragie met koude rillingen ; iets loopt van de nek naar het strottenhoofd, stopt de ademhaling en wekt hem ; bijna verstikt ; voortdurende hoest ; koorts < ; ontwaakt met vrees voor verstikking ; droge hoest ; zweet zeer veel ; onrust ; koorts en dorst ; pijn in de polsen ; ischias in het rechterbeen ; pijn in de knie ; voortdurend dromen ; kouderillingen ; branden in handpalmen en voetzolen ; hitte als van een bloedopwelling ; jeuk hevig ; branden in zweren.
Voor middernacht : slapeloosheid.
Middernacht : raakt buiten bewustzijn ; plotselinge diarree ; wordt wakker door samentrekking van de borst.
Na middernacht : geen slaap.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
Erger in lente en zomer, of door temperatuurextremen ; < door de zonnestralen.
Open lucht : duizeligheid door lopen ; verlangen ernaar vóór de menstruatie ; veroorzaakt hevige prikkelhoest ; symptomen > ; na roodvonk zwelling van het hele lichaam ; moet deuren en ramen openen ; tijdens verstikkingsaanvallen.
Tocht : keel <.
Moet bij een open raam zitten : hartlijden.
In de zon : hoofdpijn.
Warmte : hoofdpijn ; zweren >.
Warm weer : diarree < ; de benen branden en jeuken.
Warme kamer : de koude rilling neemt af.
Warmte van het bed : jeuk van de benen < ; kan de ledematen niet stilhouden.
Uitwendige warmte : verlangen daarnaar ; tandpijn > ; pijn in het hoofd > ; oorpijn > ; wil het hoofd dicht ingepakt hebben.
Warme dranken : keelsymptomen < ; veroorzaken tandpijn ; bloeden van het tandvlees <.
Warmte van de kachel : pijn in de handen > ; kruipend gevoel <.
Verandering van temperatuur : hoest <.
Vochtig weer : hoest <.
Nat weer : zweren in de keel <.
Nat worden : veroorzaakt tandpijn.
Na de hele dag blootgesteld te zijn geweest aan koud, nat weer, 's nachts comateus.
Wassen : pijn in de keel <.
Koud water : hoofdpijn > ; branderigheid in de zweer >.
Koude of warme dranken : veroorzaken tandpijn.
Koud weer : jeuk van korsten op de kuiten.
Klachten bij vochtig, warm lenteweer.
KOORTS [40]
Rillen zonder koudegevoel. θ Dysenterie.
Koude huiveringen die opstijgen.
Afzonderlijke aanvallen van rillen.
IJskoude voeten.
Koude voeten, met benauwdheid op de borst.
Verdovend koudegevoel.
Hevige koude rilling 's avonds, tandengeklapper en gevoel als bij trismus.
Rillingen in de namiddag, pijn in de ledematen, pleuritische steken, benauwdheid op de borst en krampachtige bewegingen.
Koude rilling trekt vanuit de holte van de rug omhoog over schouders, nek, achterhoofd tot aan de schedelkruin, met een gevoel alsof er aan de basis getrokken wordt, kippenvel op de aangedane delen.
Koude rilling : begint in de lendenen ; trekt langs de rug omhoog naar het hoofd ; begint dwars over rug en schouders ; > in een warme kamer ; verlangt uitwendige warmte.
Schuddende koude rillingen in verscheidene aanvallen per dag, de bijna bewusteloze vrouw wordt in bed heen en weer geslingerd. θ Kraamvrouwenkoorts.
Schuddende koude rilling gedurende twee uur. θ Erysipelas van het been.
Bewusteloos ; livide gelaatskleur ; schuddende koude rillingen ; huid heet of koel. θ Metritis.
Rillerigheid, misselijkheid, daaropvolgende koorts. θ Epidemische laryngitis.
Wil dicht bij het vuur zijn en gaan liggen ; door warmte voelt hij zich >, maar de koude rilling houdt aan.
Het kind moet stevig worden vastgehouden om > pijn in hoofd en borst en om het schudden te voorkomen ; voelt zich > als het wordt vastgehouden of naar beneden gedrukt.
Na ijskoude kuiten, schuddende koude rilling met warm zweet ; daarna tokkende sensaties door de ledematen, vermengd met hitteopwellingen.
Koude rilling en hitte wisselen af en verwisselen van plaats.
Koude rillingen 's nachts, hitteopwellingen overdag. θ Menorragie.
Rillen tijdens de hitte.
Hitte, vooral aan handen en voeten, 's avonds.
Branden in handpalmen en voetzolen, 's avonds en 's nachts.
Hitte 's nachts, als door bloedaandrang ; keel gevoelig.
Inwendig hittegevoel, met koude voeten.
Droge, brandende huid.
Hitte : met hevige hoofdpijn ; livide gelaatskleur ; benauwdheid op de borst ; diepe ademhaling en slaap ; grote spraakzaamheid.
Sterke neiging tot zweten.
Zweet : overvloedig, bij de meeste klachten ; koud, maakt gele vlekken ; bruinachtig geel ; bloederig, maakt rode vlekken ; tussen de koortsaanvallen ; 's nachts ; geeft verlichting.
Zweet rond de nek na de eerste slaap. θ Phthisis.
Sterk ruikende transpiratie in de oksel, als knoflook.
Wisselkoorts ; hevige pijn en gevoeligheid bij druk in de miltstreek, schietend naar de borst of de linkerzijde van de nek.
Wisselkoorts keert elke lente terug, of na onderdrukking in de voorafgaande herfst door kinine ; < in de namiddag, 2 P. M. ; gezicht rood, hoofdpijn, voeten koud ; praten tijdens het hete stadium ; overmatig brandende en scheurende pijn tijdens terugval in gallige wisselkoorts na kinine.
Wisselkoorts in de lente of het begin van de zomer.
Wisselkoorts gedurende acht jaar, in de zomer onderdrukt door grote doses kinine, om elke lente terug te keren ; gelaatskleur tijdens de koorts grauw, askleurig.
Koude rillingen gedurende zes maanden in zomer en herfst, onderdrukt met blue mass en kinine, in de volgende mei teruggekeerd ; convulsies tijdens de koude rilling.
Ineenzinkende koude rillingen jaarlijks, in augustus, gedurende negen jaar, werd altijd zwaar behandeld met morfine, brandewijn en kinine om een "fatale derde koude rilling" te voorkomen ; na elke aanval vele dagen doorweekt van zweet, heeft maanden nodig om te herstellen ; de koorts steeds derdedaags.
Onrust ; pijn in de lumbale streek ; constipatie ; tong dik bruin beslagen, gegroefd en neigend tot droogheid ; gevoeligheid dwars over de darmen ; koude rilling begint om 2.30 P. M. ; lichaam ineengekrompen tot een hoop ; punt van neus en oren koud en ijzig ; voorhoofd koud ; huid verschrompeld en livide ; pols draadvormig, verdwijnend ; snel gapen, onophoudelijk zuchten ; donkere kringen rond de ogen, snel donkerder wordend terwijl zij in stupor wegzinkt. θ Derdedaagse wisselkoorts.
Wisselkoorts op de vijfde dag na de bevalling ; dagelijks koude rillingen, met grote heftigheid, gedurende een week (rioolgas in huis) ; ontsteking van de linker eierstok ; huiveren ; prostratie ; aan het einde van de vierde week afscheiding van pus en bloed door de buikwand.
Typhus : delier ; tong rood of zwart, droog of met kloven, vooral aan de punt ; beeft wanneer zij wordt uitgestoken, of de punt blijft onder de ondertanden of de onderlip.
Ontlasting, met bezinksel van vlokken ontbonden bloed, met uiterlijk en vorm van volkomen verkoold tarwestro, in langere of kortere platte stukken, tezamen met min of meer vermalen delen ; hevige neusbloeding in de ochtend. θ Buiktyfus.
Na aanhoudende rust ; spraakzame stemming ; praat dag en nacht, zo niet tegen degenen in de kamer, dan tegen denkbeeldige personen ; van onderwerp tot onderwerp springend ; verlangen om in bed te liggen met de kleding weg van de nek. θ Buiktyfus.
Dagelijks toenemende uitputting, totdat er drieëntwintig dagen verstreken waren zonder enige crisis ; volledig delier met mompelen, en volledige prostratie ; de enige houding was op de rug ; als hij op de zijde werd gelegd, rolde hij meteen weer op de rug ; tong droog, zwart en gebarsten ; patiënt zonk duidelijk weg. θ Buiktyfus.
Op de negende dag, overvloedig, zuur zweet zonder verlichting ; delier ; hoofdpijn ; ogen sterk geïnjecteerd, blik onvast ; verlies van bewustzijn ; voortdurend onverstaanbaar mompelen ; pols hard, klein, 120-140 ; tong droog, zwart, gebarsten en bloedend, kan alleen met grote moeite worden uitgestoken, beeft dan ; lippen gebarsten, zwart, bloederig ; onlesbare dorst ; slechthorendheid ; abdomen zacht, maar overal pijnlijk ; frequente ontlasting, klonterig, kruimelig, geel, oranjegekleurd, of met bloed getint ; urine onderdrukt ; overvloedig zweet ; ten slotte onwillekeurige lozing van ontlasting en sterk ruikende ammoniakale urine ; ligt alleen op de rug ; dyspneu en hoest met overvloedige expectoratie van met bloed gestreept slijm. θ Buiktyfus.
Het geval was de vijfde week ingegaan, was volkomen dyscratisch geworden, de dood scheen nabij door astma. θ Buiktyfus.
Buiktyfus, derde week, met delier ; tong droog, zwart, gebarsten ; keel droog en gebarsten ; niet in staat de tong uit te steken.
Mompelend delier ; gelig rode, droge, trillende tong ; matige dorst ; pols 70 ; korte tijd helder wanneer hij wakker is, zinkt dan weer in delier weg ; verlamming van de motorische zenuwen van de ledematen. θ Buiktyfus.
De hele dag blootgesteld aan koud, nat weer ; 's nachts comateus ; hoge koorts ; tong droog, rood aan de punt, al spoedig in het midden bruin wordend ; pupillen vernauwd, daarna verwijd ; braken van groenachtig water ; onrustig door koliek, waarvoor drie oppassers nodig zijn om hem in bed te houden ; werpt voortdurend de dekens af ; ongevoelig voor uitwendige indrukken ; pols ongeveer 120, vier slagen op één ademhaling ; onwillekeurige ontlasting en urinelozing.
Koorts < in de namiddag, zweet zonder verlichting ; klachten < na slaap ; verlies van bewustzijn ; mompelen ; stupor ; ingevallen gelaat ; afhangen van de onderkaak ; droge, rode of zwarte tong, aan de punt gebarsten en bloedend ; bij poging haar uit te steken beeft zij, of de punt blijft onder de ondertanden en komt niet naar buiten ; droge lippen, gebarsten en bloedend ; ontlasting zeer stinkend, of die nu vast of dun is ; dyspneu en hoest, met slijmerige, bloederige expectoratie. θ Typhus.
Gele koorts : delier 's nachts ; spraakzaam, tot ruzie geneigd ; trage, moeizame spraak ; slaperig ; bloedaandrang naar het hoofd ; rood gezicht ; gele conjunctiva ; gele of purperachtige tint van de huid ; bloed donker, niet stolbaar ; kleine wonden bloeden sterk ; transpiratie maakt gele vlekken ; lippen droog, gebarsten en bloedend ; tong zwaar, bevend, droog en rood, aan de punt gebarsten ; punt rood, midden bruin ; moeizame spraak ; zure oprispingen ; brandend maagzuur ; misselijkheid na drinken ; braken, met hartkloppingen ; dyspneu ; angst om het hart ; kan niet op de linkerzijde liggen ; onregelmatige zwakke pols ; urine bijna zwart ; aanhoudende slapeloosheid ; flauwte ; overal trillen ; plotselinge hitteopwellingen ; gevoeligheid van nek en maagkuil voor elke druk ; < bij het ontwaken ; > na voedselinname.
Bloed donker en stolt niet. θ Gele koorts.
Cellulitis, vooral van rectum en anus, met branden en blauwe verkleuring van de huid. θ Gele koorts.
AANVALLEN, PERIODICITEIT [41]
Periodiek : heftige, razende pijn van de bovenkaak naar het oor ; verergeringen bij chronische angina.
Aanvallen : van zwakte, zelfs tot syncope ; van gevoeligheid voor aanraking in de handen ; van jeuk.
Na elke ontlasting : rauwe, brandende pijn.
Afwisselend : warmte en kouderillingen ; misselijkheid en aangezichtsneuralgie ; diarree en constipatie.
Na enkele minuten praten : het lijkt alsof er een gordijn voor de farynx neerzakt.
Met lange tussenpozen : urinelozing.
Gedurende een uur : hevig lachen.
Dagelijks gedurende een uur : menstruele vloeiing.
Gedurende twee uur : schuddende koude rilling.
Enkele uren na het eten : knagend gevoel in de maag.
Om de paar uur of dagen : bloedvloeiing uit de vagina.
Gedurende verscheidene uren : scheurende pijn in het hoofd, die daarna een dag of twee verdwijnt.
Gedurende vijf of zes uur : pijn in arm en schouder.
Verscheidene malen per dag : epistaxis van veneus bloed ; zeer hevige schuddende koude rilling.
Om 4 uur 's morgens : warmte houdt aan vanaf bedtijd.
Om 10 uur 's morgens : koorts.
Tot 11 uur 's morgens : voelt zich goed, daarna flauw en zwak.
's Middags : delirium tremens ; braken ; koorts.
's Avonds : aanhoudend braken.
Om 2.30 uur 's middags : koude rilling.
Nachtelijke aanvallen : van angst ; hallucinaties ; pijn in de ledematen ; om 10 uur droogheid van de keel en dorst ; van spasme van de glottis ; branden in handpalmen en voetzolen ; branden in zweren.
Tegen de ochtend : zweet.
Eerste dag van de menstruatie en de dag vóór het verschijnen : pijn.
Elke dag om 11 uur 's morgens : honger ; keel > ; hevige kouderillingen.
Elke dag om 11 uur 's morgens : warmte en schrijnend gevoel in de linker keel.
Om de andere nacht : braken.
Om de andere dag : gevoel van obstructie in de keel bij het slikken ; koude rilling die langs de rug opstijgt.
Op de tweede of derde dag : dreigende metastase naar de hersenvliezen.
Om de twee of drie dagen : acute koliekpijnen.
Gedurende drie nachten : geen slaap.
Drie dagen vóór de menstruatie : leucorrhoe.
Om de drie of vier dagen : hevige hoofdpijn.
Van drie tot acht dagen vóór de menstruatie : groene, dikgele leucorrhoe.
Gedurende vijf dagen : ischias.
Op de negende dag : overvloedig zuur zweet zonder verlichting.
Om de acht of tien dagen : hoofdpijn.
Gedurende tien dagen na de menstruatie : leucorrhoe.
Gedurende twintig dagen : geen stoelgang.
Drieëntwintig dagen gingen voorbij zonder crisis : tyfoïd.
Gedurende vele dagen, na elke aanval van koude rilling : zweet.
Derde week : tyfuskoorts met delier.
De dag vóór de catamenia : grote drang om naar de open lucht te gaan.
Elke vier weken, gedurende vier of vijf dagen, nerveuze zwakte <.
Gedurende verscheidene weken : gedeeltelijke doofheid.
Om de twee of drie maanden : menstruatie te laat.
Gedurende drie maanden : fistuleuze opening in de vingers ; gedurende die tijd leed zij tweemaal aan moeite met slikken.
Bij elke menstruele aandrang : oprispingen tot braken toe ; cardialgie ; beklemming van de borst.
Gedurende acht maanden : geen menstruatie.
De hele winter en lente aanhoudend : hoest.
In de lente : tandpijn ; diarree.
In de zomer : tandpijn.
Elke lente : onderste extremiteiten met schilfers bedekt < ; wisselkoorts, of na onderdrukking in de voorafgaande herfst door kinine ; eruptie.
Elke herfst : eruptie.
Elk jaar : angina ; acuut of chronisch rheumatisme ; in augustus, gedurende negen jaar, wegzinkende koude rillingen.
Gedurende een jaar : geen menstruatie.
Zonnesteek twee jaar vóór de bevalling, sindsdien steeds te bed ; twee uur na de bevalling convulsies.
Na twaalf uur comateus.
Drie jaar geleden : na hevige mentale ontroering, plotseling ophouden van de menstruatie ; zwervende pijnen in de gewrichten.
Gedurende vier jaar : aambeien ; stekende, snijdende pijnen in de linker borst.
Gedurende acht jaar : wisselkoorts.
Gedurende tien jaar : constipatie.
Sedert achttien jaar : dysmenorroe.
Gedurende de laatste twintig jaar : eruptie op de linker onderarm en op de linker onderbuik.
Sedert jaren : hevige pijnen boven de linker lies ; opeenvolging van karbonkels.
LOKALITEIT EN RICHTING [42]
Rechts : pijn in zijde ; drukkende pijn < op de zijde ; gedeeltelijke verlamming ; halfzijdige hoofdpijn ; alsof een deel van de zijkant van het hoofd afgesneden was ; gevoeligheid van de kruin naar de zijkant van het hoofd ; prikkende pijn in de ledematen ; ernstige pijn beginnend in de binnenooghoek, zich uitstrekkend tot de wenkbrauwboog ; rukken in het oog ; stekende, trekkende pijn in het oog ; pijn in het oor > liggen op de zijde ; pijn alsof er iets vastzat aan de zijkant van de keel ; steek in de zijde ; gevoel van obstructie in de keel ; pijn aan de zijkant van de keel ; tonsil gezwollen ; huig kleeft aan de tonsil ; maakt vreemde bewegingen met de arm ; alsof er iets vastzat in de zijde ; alsof een bal van de zijde naar de maag rolde ; scheuren in het abdomen ; snijdende pijn in de zijkant van het abdomen ; pijn van de lumbale streek door het sacrum ; hevige pijn boven de lies ; zwelling van de eierstok ; pijn in de ovariële streek ; eierstok ter grootte van een vuist ; induratie in de ovariële streek ; fungus hematodes op de mamma ; long aangedaan ; moet naar de zijde leunen om pijn op de borst > ; stekende pijn door de zijkant van de borst ; dyspneu < ; liggen op de rechterzijde, het gewicht van de linkerarm is pijnlijk ; verwijding van het ventrikel ; stijfheid van de nek aan die zijde ; stekend gevoel in de arm ; zijkant van de rug gezwollen ; pijn in het schoudergewricht ; gevoeligheid van de schouder ; maakt vreemde bewegingen met de arm ; loodkleurige zwelling van handrug en vingers ; wijsvinger geatrofieerd ; been oedemateus ; ischias in het been ; knie alsof verstuikt ; zweer op het been ; pijn in de tweede teen van de voet ; stekende pijn in de zijkant van de borst ; dikke plekken exantheem aan de zijde van wervelkolom tot borstbeen ; enorme karbonkel naast de wervelkolom ; rheumatisme begint.
Links : pijn in de slaap ; lichaam buigt in de richting van de stappen ; apoplexie aan de zijde ; naar de zijde vallen door duizeligheid ; pijn in de zijde ; pijn boven het oog ; trekkende pijn in de slaap ; hoofdpijn in de voorhoofdsknobbel ; neuralgie aan de zijde ; scheurende pijn in de gehele zijkant van het hoofd ; pijn achter het oor ; gevoelloosheid en kruipen aan de zijkant van het hoofd ; pijnlijke gevoeligheid in de slaap en in de helft van het gezicht ; afscheiding uit de neus ; pijn in het oog ; orbitale neuralgie ; scheurende pijn in het hoofd ; tong geneigd naar de zijde ; scheurende pijn in het jukbeen en de delen onder het oog ; zijkant van het gezicht en onderkaak gezwollen ; onbestemd doof gevoel in het hoofd ; pijnlijke ontsteking van het oog ; droog oorsmeer in het oor ; gevoel van gevoelloosheid langs de wang naar beneden ; pijn diep in het oor ; erysipelateuze uitslag onder het oog ; erysipelas begon dicht bij de zijkant van de neus en breidde zich omhoog en omlaag uit langs de zijkant van het gezicht tot aan het oog ; tong pijnlijk aan de zijde ; gevoeligheid aan de zijkant van de keel ; warmte en branderigheid aan de zijkant van de keel ; ontstoken zwelling aan de zijkant van de keel ; tonsil gezwollen ; pijn schiet van de tonsil naar het oor ; abces in de tonsil ; talrijke witte vlekken op bleekrood oppervlak in de keel ; geelwit membraan op de tonsil ; pijn en gevoeligheid beginnen aan de zijkant van de keel ; ontsteking en membraan beginnend aan de zijde ; difteritische plek zo groot als een speldenknop op de tonsil ; aan de zijkant van de keel verscheidene witte exsudaatvlekken ; tonsil één volledige zwarte afstoting ; pijn in het hypochondrium ; pijn in de zijkant van het abdomen ; drukgevoeligheid in de iliacale streek ; fibreuze tumor in de lies ; waterzuchtige vergroting van de zijde en het been ; pijn in de ovariële streek ; ovarieel neuralgie ; zwelling, induratie en andere anomalieën van de eierstok ; scherpe, schietende pijn in de eierstok ; suppuratie in de eierstok ; vergroting van de eierstok ; ovariële streek hard ; menstruele koliek beginnend in de eierstok ; pijn in de borst ; pijn in de axilla ; pijnlijke zwakte en mankheid in schouder en arm ; convulsies aan de zijkant van het gezicht ; pijn in de tragus ; long ondoorgankelijk voor lucht ; gevoeligheid, drukgevoeligheid en gevoel van zwaarte in de ovariële streek ; steken in de zijkant van de borst ; dyspneu ; hepatisatie van de long ; voortdurend peuteren en boren in de neusgaten ; geen ademgeruis in de achterste bovenste helft van de long ; dofheid in de infraclaviculaire streek ; liggen op de linkerzijde veroorzaakt pijn in het hart ; gewicht van de arm aan die zijde is pijnlijk ; hypertrofie van het ventrikel ; liggen op de zijde met het hoofd hoog > verstikking ; brandende pijn onder de tepel ; zwelling in de nek ; abces nabij de clavicula ; abces aan de zijkant van de nek ; mankheid in de schouder ; zwakte van arm en schouder ; arm bijna dubbel zo groot ; tintelen en prikken in de hand ; schieten van heup tot voet ; knie alsof verstuikt ; nabij het kniegewricht een tros spataderen ; pijnlijke plek onder de onderrand van de patella ; harde rode plek met korsten op de kuit van het been ; vlakke zweren op het been ; zwelling van been en voet ; rheumatisme < aan de zijde ; zijde zwak ; zijkant van het lichaam gevoelloos en koud ; verlamming van de motorische zenuwen van het ledemaat ; ernstige pijn schiet omhoog langs de zijkant van de nek ; aderen in de gehele zijkant van de thorax tot aan de keel sterk verwijd ; uitslag op onderarm en zijkant van het abdomen ; wijsvinger viermaal zo groot ; hand en onderarm sterk gezwollen ; zijde gedeeltelijk verlamd ; korrelige zwelling aan de zijkant van de keel ; glandula parotis enorm gezwollen ; vlakke open zweren op het been ; verlamming van het been ; gevoel afwezig in de arm ; zijkant van de keelholte pijnlijk.
Eerst rechts dan links : halfzijdige hoofdpijn ; tonsillen aangedaan.
Van boven naar beneden : hevige druk in het hoofd ; steken in de nieren ; druk vanuit de lendenen ; pijn vanaf de bovenkant van het hoofd.
Van beneden naar boven : steken in de wervelkolom.
Van beneden naar boven en naar achteren : scheurende pijn in het rectum.
Van buiten naar binnen : drukkend gevoel in het hoofd.
Van binnen naar buiten : scheuren op de bovenkant van het hoofd ; hevige drukkende, brandende pijn op de bovenkant van het hoofd ; opblazende druk in de borst ; cardiale druk.
Van links naar rechts : pijn in de keel ; difterie ontwikkeld ; afscheiding uit de neus ; benen oedemateus ; erysipelas breidt zich uit ; ulceratie in de keel ; ovariumtumoren ; reumatische pijn.
Verandert van lokalisatie : reumatische pijnen ; ischias.
GEWAARWORDINGEN [43]
Gevoel alsof zij iemand anders was; alsof hij door visioenen achter zich verschrikt werd; alsof messen in het voorhoofd werden gestoken; alsof de hersenen de schedel zouden doen barsten; tong alsof die gebonden of vastgebonden was; alsof een deel van de rechterzijde van het hoofd afgesneden was; alsof er zwelling was in de hoek vóór het styloïd uitsteeksel; achterhoofd alsof het uit elkaar werd gedrukt; alsof de huid door de hitte van de zon verbrand was; flikkeren vóór de ogen alsof door draden; steken alsof van messen in de ogen; alsof een draad van achteren naar het oog werd getrokken; ogen alsof zij eruit genomen, samengedrukt en dan weer teruggezet waren; alsof de ogen naar buiten werden gedrukt wanneer op de keel wordt gedrukt; suizen alsof van insecten in de oren; oren alsof zij van binnenuit gesloten waren; alsof hij een ijs-snorstache had; oren alsof zij verstopt waren; alsof de amandelen wondachtig pijnlijk waren; alsof rauw; huid alsof zij zou barsten; submaxillaire gewrichten alsof gezwollen; tanden alsof zij te lang waren; alsof de tong zou gaan vervellen; alsof het slijmvlies losliet; alsof er vervelling zou gaan optreden in het zachte gehemelte; alsof hij zou stikken; alsof alles rauw was in de keel; alsof delen van de keel gezwollen waren; alsof een kleine kruimel in de keel vastzat; alsof er iets in de keel zat om door te slikken; alsof een klomp, bal of knop in de keel zat; benauwd alsof door gebrek aan adem; alsof iets vastzat aan de rechterzijde van de keel; keel alsof dichtgebonden; gevoel als van een slang in de keel; verstikking alsof door een bal; keel alsof geülcereerd; steken alsof van duizend naalden in de keel; alsof twee klompen zo groot als vuisten in de keel tegen elkaar kwamen; keel alsof pijnlijk; keel alsof rauw; alsof een visgraat in de keel was blijven steken; alsof een spons in de keel hing; alsof hij die zou kunnen ophoesten; alsof er een klein droog plekje was vanwaar de pijn naar het oor uitstraalde; alsof hij een slag op de nek had gekregen; alsof een dikke substantie in de keel zat; gevoel van een grote klomp achter in de keel; alsof iemand hem bij de keel greep; kokhalzen alsof om een klomp op te braken; huig zag eruit alsof die samengedrukt en naar achteren gedrongen was; alsof iemand de luchtpijp tussen duim en vingers drukte; vreemde bewegingen met de rechterarm alsof hij ergens naar reikte; tanden voelen alsof zij vastgeklemd zitten; tong voelt alsof zij verbrand is; pijn in de lever alsof geülcereerd; alsof iets aan de rechterzijde was blijven steken; alsof een bal van de rechterzijde naar de maag rolde; alsof een mes door de buik werd gestoken; grijpen alsof diarree zou komen; alsof de feces naar de borst opstegen; bonzen alsof met kleine hamertjes in de anus; alsof er ettering onder de ribben was; armen voelen alsof zij dichtgesloten zijn; alsof er een prop in de anus zat; alsof de sfincter bij inspanning werd uitgescheurd; alsof er een bal in de blaas of de buik rondrolde; baarmoederstreek alsof gezwollen; alsof een mes in de buik werd gestoken; baarmoeder alsof de baarmoedermond open stond; alsof alles uit de vulva zou komen; alsof pijnen vanuit baarmoeder en buik naar de borst opstegen; alsof alles eruit werd gedrukt; alsof de ingewanden met messen werden gesneden; alsof er een vernauwing in het rectum was; alsof het hart aan een draad hing en elke slag het zou losscheuren; alsof er een vel in het strottenhoofd zat; alsof klauwen zich in het strottenhoofd vastzetten; alsof er een klein klompje in de keelgroeve zat, als een knoop; alsof zich een grote massa slijm in de keel had opgehoopt; verstikking alsof verstikken onvermijdelijk was; alsof er iets in de luchtpijp zat dat opgegeven kon worden; borst alsof verstopt; alsof kleding de circulatie belemmerde; alsof de longen in de keel werden gedrukt; alsof een koord strak om de hals was gebonden; alsof het hart omdraaide en een ogenblik ophield met kloppen; alsof er wat vloeistof in de verkeerde weg was gekomen; alsof er een zweer in de maag was; alsof de longen omhoog in de keel werden gedrukt; alsof de borst vol wind zat; borst alsof pijnlijk; als gloeiende kolen van de borst door naar de schouders; alsof het hart te groot was voor zijn holte; alsof het hart tegen de zijkant drukte of geen vrije speelruimte had; alsof het hart één slag oversloeg; hitte alsof van een hete kachel op de borstwand; branden alsof in het vlees van de borst; alsof de rechterarm slapend was geworden; rug alsof lam en zwak; alsof de pezen in het heiligbeen te kort waren; alsof hij op iets scherps zat; lendenen alsof verstuikt; polsen alsof verstuikt; handen koud alsof dood; alsof een heet ijzer van de heup tot de voet ging; dijen alsof gezwollen; alsof een verstuiking in de rechterknie; alsof hete lucht door de kniegewrichten ging; linkerknie alsof verstuikt; alsof het op verschillende plaatsen op het scheenbeen brandde; branden als van vuur in de onderbuik, lendenen en achter het borstbeen; kruipen alsof ingeslapen in arm en been; alsof het epitheel van het tandvlees losliet; alsof er een prop in de keel zat; tanden voelen alsof zij vastgeklemd zitten; tong voelt alsof zij verbrand is; hoofd alsof het aan de basis werd getrokken; huid rondom de karbonkel alsof zij te kort was; alsof het vlees van de botten werd gescheurd.
Pijn: in de linkerslaap en het achterhoofd; in het voorhoofd; in het achterste deel van de heup en in de linkerzijde; in de miltstreek; boven de ogen; boven op het hoofd; in de linker eierstokstreek; van de wenkbrauwboog tot aan de achterhoofdsuitstulping; diep in de oogkas; in de linkerzijde van de buik; in het achterhoofd; in het oog; diep in het linkeroor; in de oren; in de ledematen; in de maag; in de keel tot in de nek; bij het slikken; op een klein plekje in de keel aan één zijde van het strottenhoofd; boven in de keel; in de linkerzijde van de keel, uitstralend naar tong, kaak en oor; in het epigastrium; alsof iets aan de maag knaagde; in de lever; in het linker hypochondrium; in de buik; in de streek van het caecum; van de rechter lendenstreek door het heiligbeen en de liesstreek naar de voorzijde van het dijbeen; in het rectum; in de rechter eierstokstreek; in de baarmoederstreek; in de onderbuikstreek; in de maag; van de linkerborst naar de oksel, langs de arm naar de hand; langs de armen omlaag; in de keelgroeve tot aan de tongwortel en het tongbeen en naar de linker tragus, waarachter het uitschiet; in de linkerborst; pijn in aambeiëntumoren; in de borst; in het hart; in de nek tot waanzin toe; in de lendenen; in het stuitbeen; in het heiligbeen; in de wervelkolom; in het rechter schoudergewricht; in de polsen; in de polsgewrichten; op één klein plekje onder de schouder; in een rode streep die vanaf de pols omhoog liep; van plaats veranderend, nu in het hoofd, dan in de tanden, dan in de ischiaszenuw; in de dijen; in de benen; in de knie; op een pijnlijke plek onder de onderrand van de knieschijf; in de tweede teen van de rechtervoet; in de gewrichten.
Gevoeligheid van inwendige en uitwendige delen.
Ondraaglijke koliek.
Spanning: van de nek naar de oogleden; en als van een draad langs armen en benen; in uitwendige delen.
Ulceratieve pijn: in inwendige delen.
Branden als van vuur: in de onderbuikstreek; in de lendenen; achter het borstbeen.
Aangrijpende pijn: in de rug bij het opstaan uit een zittende houding.
Hevige pijn: in het hoofd; langs de nek omlaag; in het linkeroog; in het dijbeen; in arm en hand.
Hevige pijn: in het hoofd; in de keel; boven de rechter lies, uitstralend hetzij naar de geslachtsorganen, hetzij naar lever en borst.
Ernstige pijn: over het gehele hoofd; in en boven de ogen; van de binnenooghoek omhoog en naar buiten in een halve cirkel juist boven de wenkbrauwboog in het voorhoofd; in de ledematen; in de lendenstreek; in het epigastrium.
Vreselijke pijn: in het hoofd; boven de ogen; in de rechter eierstokstreek.
Acute pijn: in de lever en naar de maag toe.
Grote pijnen: in rug en ledematen; in het hart; in zweren aan de voet.
Angst: om het hart.
Afgrijselijke pijnen: over het gehele hoofd.
Stekende pijn: aan de tongwortel; door de longen; uitstralend van de pols naar de elleboog.
Woeden: in de wortels van de onderste tanden.
Hevige, schietende, stekende pijnen: van het bovenste deel van het voorhoofd naar het midden van het hoofd.
Lancinerende pijnen: in de borsten.
Scheurende pijn: in de benen.
Snijdende, scheurende, brandende pijnen: in de buik.
Acute snijdende, stekende pijnen: uitstralend vanuit de navel over het bovenste deel van de buik.
Snijden: in het hoofd; in de tanden; in de rechterzijde van de buik; in het rectum; in de buik; in de linkerborst.
Scherpe, snijdende pijnen: bij het urineren.
Scheurende pijn: in de slapen; in de gehele linkerzijde van het hoofd van de slaap tot het sleutelbeen; boven op het hoofd; van het jukbeen naar het oor; in voorhoofd en linker jukbeen en onder het linkeroog; in de kaakbeenderen; in de wortels van de onderste tanden; in de slapen; in de buik; in het rectum; van de nek langs beide zijden omhoog naar de kruin; in de knieën.
Scherpe, schietende pijnen: van de ogen naar de slaap; in de linker eierstok.
Schietende pijn: in het linkeroor; in de keel; in de miltstreek; in het rectum; van de linkerheup omlaag naar de voet.
Doordringende pijnen: in de tanden.
Stekend snijdend: in het voorste deel van de urethra.
Steken: op de kruin; in het hoofd; in de enkel.
Stekende pijn: in de ogen; van de maag naar de borst; door de rechterzijde van de borst; in de rug.
Steken: in het voorhoofd; in de borst; in de ogen; in de rechterzijde; in het rectum; in de nieren, omlaag en ogenschijnlijk door de ureters; in de eierstok; in aambeiëntumoren, met hoest; in de linkerzijde van de borst; in het bovenste deel van de rug; in de gehele rug.
Pijnlijk bonzen: in de oren; in het rectum.
Barstende pijn: in de slapen.
Kloppende pijn: in het hoofd; op de kruin; in de tanden.
Ulceratieve pijn: om de lever; boven en langs de ribben.
Borend: op de kruin; achter het linkeroor; in de kaakbeenderen; in de tanden.
Pleuritische pijnen: in de borst.
Bonzende pijn: in de slaap; op de kruin; in het hoofd; in de kaakbeenderen; aan de buitenzijde van de polsen.
Schietend: van de keel naar het achterhoofd; in de arm.
Hameren: in het hoofd.
Pulserende pijnen: in de tanden.
Tintelende pijn: aan de tongwortel.
Neuralgie: links orbitaal; afgrijselijke van de nervus trigeminus; in het gezicht; ovarieel.
Reumatische pijnen: in het hoofd; in de benen; in de knieën.
Zeurende pijn: in de lendenstreek; in het voorhoofd; in de linker voorhoofdswelving; in de rechterzijde van het hoofd, geleidelijk naar links trekkend; over de lendenen; van het achterhoofd naar de ogen; in het rechteroor; in de lendenen; aan de voorzijde van de dijen; in de takken van de nervus cruralis anterior; in het tongbeen; in de knieën; in de scheenbeenderen.
Hevig zeurende pijn: overal; in het hoofd; in rug en benen; in de baarmoeder.
Doffe zeurende pijn: in de voorkruin.
Hevig weeënachtig drukken vanuit de liezen omlaag.
Acute koliekpijnen: laag in de buik.
Overmatig grijpen: in de buik.
Weeënachtige pijnen: in de baarmoeder.
Naar beneden drukkende pijnen: in de baarmoederstreek.
Knaaggevoel: in de maag; in de zijden en diep in de buik.
Krampen: in de buik; in de borst.
Krampachtige pijnen: in de buik; in de precordiale streek.
Menstruele koliek: beginnend in de linker eierstok.
Krampkoliek.
Gevoel van opgesloten winden.
Stekende, trekkende pijn: in het rechteroog; in het linkeroog; in de keel.
Dof stekend: in de wortels van de onderste tanden.
Stekende, brandende pijnen: in panaritium.
Brandend steken: van de huid.
Brandende, bonzende pijn: in steenpuisten op de wervelkolom.
Brandende pijn: boven op het hoofd; op de kruin; in de ogen; in de mond; in het rectum; in de linker eierstok; in de polsen.
Brandende hitte: in het epigastrium; in de onderbuiks- en lendenstreek; van heup tot voet; achter het borstbeen.
Steken: door de oren; in de keel; in de rechterzijde; in de rechterarm; in de vingertoppen; in de knieën; overal.
Beurse pijn: in de urethra; in het voorste deel van de penis.
Schrijnen: in de linkerzijde van de keel.
Branden: op de kruin; van de ogen; van de erysipelas in het gezicht; van het gezicht; van tong en lippen; van zwelling van de keel; in de anus; in het rectum; bij het urineren; in de borst; in ijskoude handen; in de vingertoppen; in de handen; afgrijselijk diep in de hand; van eczeem op de benen; in de handpalmen en voetzolen.
Prikkelende pijn: in bovenste en onderste extremiteiten.
Dof stekende pijn: in de maag.
Hitte: in het voorhoofd; in de linkerzijde van de keel; in de achterhoofds- en halsstreek.
Drukkend zwaar gevoel: in het voorhoofd naar achteren en over het gehele hoofd.
Doffe pijn: in het voorhoofd; in de benen; boven en in de ogen; in de blaas.
Drukkende pijnen: in de ogen; in de navelstreek; in de linker eierstok; van de lendenen naar de geslachtsdelen.
Trekkende spanning: van de nek over het hoofd naar de ogen; in de linker eierstok.
Trekkende pijn: in de linkerslaap; van de ogen naar het achterhoofd; in de kaakbeenderen; in de tanden; van de anus naar de navel; in de eierstokstreek; ondraaglijk in de lendenen en omlaag in de benen; omhoog in de rug; van de rug naar de heupen.
Krampachtige pijnen: inwendig in de anus; in het hart; in de elleboog.
Bonzen: in de anus; in het rectum.
Pijnlijkheid: van de nek; op de kruin; van de mond; in de keel; van neusgaten en lippen; van de binnenzijde van de neus; van de binnenzijde van de keel; in de linkerzijde van de keel; van de uitwendige keel; om de bekkenstreek; van het strottenhoofd; van de rechterschouder.
Pijnlijkheid: in de miltstreek; dwars over de ingewanden.
Pijnlijk gevoel: in de oogbollen.
Schrapen: in de keel.
Rauwheid: van de keel.
Beurs gevoel: in de heupen.
Pijnlijke druk: in het rectum; bij het urineren.
Knagende druk: in de maag.
Weeënachtige druk: van de lendenen omlaag.
Hevige druk: boven op het hoofd; in de maag.
Druk: in de oogkassen; in de maag; hevig op een klein plekje tussen epigastrium en navel; in de ingewanden; op de blaas.
Beklemmende pijn: in de ene of de andere slaap; in de borst.
Pijnlijke samentrekking: in de keel.
Pijnlijke gevoeligheid: in de linkerslaap, vanaf de kruin omlaag en in de linkerzijde van het gezicht.
Grote gevoeligheid: van de onderbuik.
Drukgevoeligheid: van de hoofdhuid; in de linkeriliacale streek; in het epigastrium; in de gehele wervelkolom; van het lichaam.
Eigenaardig pijnlijk gevoel van zwakte en mankheid: in de linkerschouder en arm.
Benauwdheid: aan de maag.
Pijnlijke vermoeidheid: van gezicht, nek en hoofd.
Buitengewone zwakte: difterie.
Zwak gevoel: in de buik; in de knieën; in de linkerschouder en arm; in de benen.
Wegzinkend, fladderend gevoel: in het epigastrium.
Onrust: in de onderste ledematen.
Samentrekkende beklemming: in de leverstreek; in de buik.
Bonzend, verstikkend gevoel: in de keel.
Verstikkend gevoel: in de keel.
Verstikkingsgevoel: in de keel.
Droog, verstopt gevoel: door het hele voorste deel van het hoofd.
Verstopt gevoel: in de oren.
Gevoel van obstructie: in de keel.
Gesmoord gevoel: in de borst.
Tokkelen: door de ledematen.
Trillen: in de ogen; van de handen.
Rukken: in het rechteroog; in de onderste tanden; in de tanden; van de dijen naar de geslachtsdelen; in de benen.
Beven: in het hele lichaam; van de ledematen en inwendig; van de tong.
Prikkelen: in de linkerhand; in de vingertoppen; in de uiteinden van de vingers; kruipen: aan de linkerzijde.
Kitteling: achter het borstbeen.
Kriebelen: na het snuiten van de neus; aan de tongwortel; in de keel; in de maagkuil; van de dijen naar de geslachtsorganen; in het strottenhoofd; in de keelgroeve en achter het borstbeen.
Tintelen: in de linkerhand; in de tenen.
Droogheid: van de mond; van de keel.
Gewicht: in het hoofd; op de kruin; in de ingewanden; in de linker eierstokstreek; op de borst.
Zwaar gevoel: van het hoofd; in het achterhoofd; in de maag; in de leverstreek.
Verward gevoel: in het hoofd.
Vol gevoel: van de borst.
Volheid: in de keel; in het hoofd; in de leverstreek; in de ingewanden; in de luchtpijp; aan het hart.
Doffe benauwdheid: bij het ademen.
Beklemming: van de borst.
Samentrekking: van de anus; in het rectum; van de keel; van de borst; om het hart.
Dofheid: in het achterhoofd; in de linker infraclaviculaire streek.
Verlamd gevoel: in het dijbeen nadat de pijn verdwenen is.
Mankheid: in de linkerschouder.
Gevoelloosheid: in het achterhoofd; van de linkerzijde; rond oor en wang; van de arm.
Doof gevoel: aan de linkerzijde van het hoofd; rond het hoofd.
Stijfheid: van de nek; in het jukbeen; van de knieën; pijnlijk van de lendenen omlaag in de dijen; in het heiligbeen; in de knieën.
Leegtegevoel: van de maag.
Koude: over het hele lichaam; van de ledematen; van de bovenlip.
Jeukende pijn: in de linker eierstok.
Jeuk: van de hoofdhuid; van de ogen; van uitslag onder de ogen; van het onderooglid; van erysipelas in het gezicht; van het gezicht; van het rectum; van de anus; op armen, heupen en onderste ledematen; in de handen; op verschillende plaatsen op het scheenbeen; van eczeem op de benen; van voeten en enkels; van pustels in de handpalmen; in inwendige delen.
WEEFSELS [44]
Vermagering, met musculaire verslapping ; huid en spieren slap.
Grote drukgevoeligheid van al het vlees ; het is buitengewoon moeilijk het kind ook maar aan te pakken ; de minste aanraking schijnt het pijn te doen en een diepere blauwverkleuring achter te laten, als een kneuzing.
Bloedingen, bloed donker, onstolbaar ; tyfeuze toestanden.
Aandoeningen veroorzaakt door bloedvergiftiging ; pyemie.
Veneuze stase met een directe, paralytisch aandoende aantasting van de medulla spinalis, gecombineerd met algemene anemie.
Blauwachtige kleur van de aangedane delen ; cyanose.
Kleine wonden bloeden veel.
Purpura. θ Scorbutische purpura.
Ontsteking van inwendige organen met ettervorming.
Aders over de gehele linker thorax tot aan de keel sterk verwijd.
Klachten in de menopauze, vooral wanneer de capillaire circulatie is aangedaan.
Waterzucht ; door lever-, milt- en hartaandoeningen ; na scarlatina ; urine zwart, benen oedemateus, eerst links dan rechts.
Cellulitis, met branden en blauwe verkleuring van de huid.
Zweren gevoelig voor aanraking ; ichoreuze, stinkende afscheiding ; vele kleine puistjes omgeven ze ; omgevende hof paars ; > door warmte.
Gangreen, of karbonkels door bloedvergiftiging.
Kwaadaardige plaatselijke ontstekingen, met secundaire bloedinfectie en zenuwuitputting.
Omschreven gangreen ; idiopathisch en traumatisch ; van de tong ; van de voet.
Ettervorming, vooral in inwendige delen.
Traumatisch gangreen, herstelt de vitaliteit in schijnbaar afgestorven delen en wekt opnieuw circulatie op zonder afstoting van weefsel.
Kwaadaardige pustel.
Sphacelus.
Gangrena senilis.
Melanose, colloïdkanker en encefaloïde kanker ; hevig branden, gangreneuze plekken.
Zweren en wonden bloeden gemakkelijk en overvloedig.
AANRAKING. PASSIEVE BEWEGING. VERWONDINGEN [45]
Aanraking: verdraagt geen hemd of halsboord om de keel; kan nauwelijks verdragen dat kleding de onderbuikstreek aanraakt; slaap gevoelig; op de keel veroorzaakt het schietende pijn; gezicht gevoelig; onderkaak gevoelig; keel gezwollen en gevoelig; maagkuil gevoelig; lever gevoelig; maag gevoelig; de geringste aanraking veroorzaakt ondraaglijke pijn in het abdomen; ileo-cecale streek gevoelig; uterusstreek gevoelig; baarmoeder gevoelig; tepel gevoelig; een plek aan het anterieure deel van de nek drukgevoelig; strottenhoofd gevoelig; halskuiltje pijnlijk; nek gevoelig; op het strottenhoofd veroorzaakt het verstikkingsaanvallen; op de keel veroorzaakt het hoest; infraclaviculaire streek gevoelig; achterzijde van de nek pijnlijk; schouder en arm gevoelig; handen gevoelig; zweren op de benen bloeden en branden; zweren gevoelig; veroorzaakt zwarte en blauwachtige vlekken.
Het vastpakken van de keel veroorzaakt misselijkheid.
Verdraagt geen strak gestrikte mutslinten.
Verdraagt niet dat het haar wordt aangeraakt.
Hernia verdraagt geen betasting.
Druk: barstende pijn in de slapen; pijn vóór de processus styloideus <; op de keel veroorzaakt het het gevoel alsof de ogen eruit werden geperst; op de keel veroorzaakt het hevige pijn; pijn in de r. eierstok; gezwel in de borst pijnlijk; strottenhoofd gevoelig; hoest <; op het strottenhoofd veroorzaakt het hoest; capillairen vullen zich vrij langzaam; achterzijde van de nek gevoelig; druk van een vinger op de halswervelkolom doet pijn naar de hersenen schieten; op de rugwervelkolom doet het pijn naar de maag schieten; zwelling op de hand gevoelig; teen pijnlijk.
Verdraagt geen druk rond de nek, in de hypochondrieën, het abdomen, de maag en de linker iliacale streek.
Abdomen gevoelig voor het gewicht van de kleding.
De uterus verdraagt geen aanraking en moet van alle druk worden ontlast; licht de kleding vaak op, omdat die onbehagen veroorzaakt.
Voelt zich > bij stevig vasthouden of neerdrukken.
Na 's nachts krabben aan de kuit: ontstaat een zweer.
Wanneer men probeert de zuigeling op te tillen of te verplaatsen, schreeuwt het uit.
Shock ten gevolge van verwondingen.
Na een val: zweer op het rechterbeen, met variceuze zwelling.
Na op een spijker te zijn getrapt: kleine zweer.
Gangreen van de hand, tien dagen na een kogelwond in de hand.
Wond in de hand door ontploffing van een pistool; op de vijfde dag gangreen.
Watervrees.
Na een dissectiewond in een vinger was deze zeer sterk gezwollen, hand en onderarm sterk gezwollen en oedemateus; een harde rode streep liep van de pols naar de axilla; okselklieren gezwollen; arm en hand uiterst pijnlijk; gehele linkerzijde gedeeltelijk verlamd; uiterste uitputting; 's nachts zacht mompelend delier; duidelijke verergering bij het ontwaken; abcessen gevormd onder de diepe vezelige weefsels van vinger en hand.
Hondenbeet (zeven gevallen); bij twee volwassen mannen die alcoholische dranken gebruikten, waren er gedurende twee jaar huiveringen en hitteopwellingen met tussenpozen van enkele weken.
Na een open beenbreuk zes of acht gangreneuze plekken, zo groot als een dubbeltje, en elk punt gemarkeerd door een zwarte blaar die openbarstte en ronde plekken van gangreen blootlegde; livide huidaanblik; delier bij het sluiten van de ogen; < na de slaap. θ Gangreen.
Open verbrijzelingsfractuur van het been, eindigend in gangreen en dreigend met snelle vernietiging van het ledemaat.
Gangreen van een vinger die was verbrijzeld; op de vierde dag na het letsel schietende pijn van de vinger naar de pols en omhoog langs de arm; op de vijfde dag wezen foetide geur en enige grijze blaren op gangreen; de volgende dag vormde zich volledig rondom de vinger een demarcatielijn; patiënt onrustig, onredelijk opgeruimd; tegen de twaalfde dag waren alle sporen van gangreen verdwenen; geen weefsel ging door afstoting verloren.
Een man werd een week geleden aan de binnenzijde van het been geraakt door de hoek van een zware kist, waardoor een wond ontstond tot in de kuit; been sterk ontstoken; bloedzuigers werden aangezet; hevige koude rilling; sinds die rilling heeft niets op zijn maag kunnen blijven; hevige pijnen traden op, de gehele wond en twee bloedzuigerbeten gangreneus; zeer hevige hoofdpijn; adem zeer foetide; slapeloos, zijn glanzende ogen voortdurend in beweging; tong trillend; pols 110, klein en onregelmatig.
Een oudere dame werd door een tamme kat door de duimmuis heen gebeten; hele hand en arm gezwollen en pijnlijk; de duim etterde en weerstond maandenlang alle pogingen tot genezing. θ Karbunkel.
Doorligwonden bij buiktyfus; zweren rood en ontstoken, met zwarte randen.
Kleine wonden bloeden sterk.
Oude chronische vlakke zweren aan de onderste ledematen, met verkleurde hof.
HUID [46]
Jeuk over het hele lichaam, branderig; gele of purperachtige blaren; schurft.
Jeuk hevig, bijna tot wanhoop drijvend, vooral 's nachts, maar ook in aanvallen overdag; gaat vaak over in een hevig, brandend, stekend prikkelend gevoel. θ Pustuleuze eruptie.
Huid droog en branderig. θ Difteritis. θ Scarlatina.
Geelzucht. θ Hepatitis. θ Typhus.
Rode bulten en tuberkels.
Uitslag over het hele lichaam; kleine gladde vlekjes ter grootte van een speldenpunt.
Gele, rode en koperkleurige vlekken.
Ecchymosen; purperen of zwarte vlekken.
Purpura hemorrhagica.
Blauwzwarte zwellingen; donkerblauwe blaren.
Lichaam bedekt met blauwrode eruptie, rond en verheven. θ Difterie.
Kind, æt. 1, had ingesneden tandvlees, bloedde vijf dagen, de bloeding kwam ten slotte tot staan, maar het kind werd cachectisch en waterzuchtig; zwarte en blauwe vlekken verschenen over het hele lichaam; de minste aanraking of druk bracht ze voort; veel < na het slapen; extreme doodse bleekheid.
Kleine roodachtige vlekken in het gezicht, op hals en armen.
Miliaire eruptie; uitslag verschijnt langzaam of wordt loodkleurig of zwart; comateus.
Hoge koorts; stekende pijn aan de rechterzijde van borst en rug; dikke plekken exantheem aan de rechterzijde, van de wervelkolom tot het sternum, en van de vijfde tot de negende rib; aanvankelijk was de eruptie vesiculair, daarna pustuleus; het gehele huidoppervlak was door de eruptie ingenomen, zeer rood en gezwollen, vooral zeer intens langs de rand van elke plek; hoge koorts, adynamisch van aard, lichte ochtendremissie; op de vijfde dag pijnen in de rug ondraaglijk; verscheidene groepen pustels nabij de wervelkolom hadden een hemorragisch aspect, breidden zich geleidelijk van de ene groep naar de andere uit totdat zij de axillaire lijn bereikten; het lijden van de patiënt bijna onverdraaglijk; neemt geen voedsel behalve een kleine hoeveelheid soep en wijn; grote prostratie door slaapverlies, door pijn. θ Herpes zoster na uitwendige toepassing van Rhus tox.
Sinds twintig jaar eruptie op de linkeronderarm en op de linkeronderbuik; de eruptie begint als een kleine steenpuist die verdwijnt en een droge, schilferige, jeukende eruptie achterlaat; daarna verschijnen achtereenvolgens andere steenpuisten, die allemaal hetzelfde verloop hebben; dit gaat zo door tot het grootste deel van de ruimte tussen elleboog en pols, en een plek zo groot als de handpalm op de onderbuik, bedekt is met droge jeukende eruptie; > gedurende enkele weken, wanneer het kleine steenpuistje opnieuw verschijnt en hetzelfde proces zich herhaalt.
Oude roodachtige herpes, met dikke korsten in de streek van de bakkebaarden; terugkeer van onderdrukte herpes in het gezicht.
Bleek, chlorotisch, vermagerd; zwartachtige of blauwachtige blaren met sanieuze, stinkende inhoud. θ Herpetische ulcera.
Blaasjes groot, meestal eerst geel van kleur en daarna donker wordend met veel pijn; de blaasjes barsten open en laten een ontvlekt, rauw oppervlak achter, dat brandt bij aanraken; erupties ieder voorjaar en najaar; < door zuren. θ Herpes.
Vesiculaire eruptie, met een rode kroon.
Rode vlekken, met blaasjes op vingers en dijen.
Eruptie van gele of purperachtige blaren.
Bulla donker door bloederig serum vanbinnen. θ Pemphigus.
Gangreneuze blaren.
Nieuwe pustels en tegelijkertijd vele van de oudere zweren en korsten omgeven door een blauwe halo; aderen van de benen door zwangerschap vergroot, ongewoon blauw en knoestig, bijna het voorkomen van beginnende gangreen; jeukende, brandende en stekende pijnen.
Pustels ter grootte van een erwt tot een muntstuk van vijf cent, op rug, benen en vooral rond de enkels; geïsoleerde pustels, die zich snel vulden met sero-purulent materiaal en omgeven waren door een ontstoken halo, kwamen in kleine groepen op; deze pustels droogden spoedig in tot harde, droge korsten die gemakkelijk afgestoten werden en een rood, vochtig oppervlak achterlieten dat gevoelig was voor contact met de lucht of de bedkleren.
Confluente gladde, ronde, witte pustels ter grootte van een mosterdzaad in de handpalmen; zij bevatten een witte vloeistof en jeukten ondraaglijk.
Wijsvinger van de linkerhand verviervoudigd in omvang; hand en onderarm sterk gezwollen en oedemateus, een harde rode lijn die zich uitstrekte van de pols tot de oksel; okselklieren gezwollen; arm en hand intens pijnlijk; gehele linkerzijde gedeeltelijk verlamd; extreme prostratie, waardoor de ziekte aanvankelijk voor typhus werd gehouden, zacht mompelend delier 's nachts; duidelijke verergering van lijden en prostratie bij het ontwaken uit de slaap; abcessen vormden zich onder de diepe vezelige weefsels van vinger en hand. θ Septicemie, gevolg van een dissectiewond.
Zwelling neemt een purperachtige kleur aan, en de patiënt begint te delireren zodra hij de ogen sluit; opgeblazen rood gezicht, gepaard gaand met hitte; koude van de ledematen; neiging tot flauwvallen, met gevoelloosheid; de zwelling van het deel is niet groot, maar stevig; ettervorming treedt plaatselijk op, loopt niet uit, maar droogt op tot een kaasachtige massa, die zichtbaar wordt doordat de huid erboven uitdroogt en afschilfert; soms bullae met donkergekleurd serum. θ Erysipelas.
Erysipelas opgelopen tijdens dissecteren; is een week ziek geweest; gezicht gezwollen, blauwrood of loodkleurig; tong droog, glanzend, trillend; < door het gewicht van de kleding, van het middaguur tot middernacht.
Donkerrode, zeer grote en dikke zwelling, zacht als deeg bij aanraking.
Spataderen ulcereren.
Doorligwonden bij typhuskoorts; zweren rood en ontstoken, met zwarte randen.
Furunkelvorming, gewoonlijk op de onderlip, gepaard gaand met hevige pijn en vaak omgeven door een erysipelateuze areola; snel en overmatig verlies van kracht, binnen vierentwintig uur van krachtig tot absolute prostratie gereduceerd. θ Epidemische kwaadaardige pustel.
Blauwachtige kleur van de pustel, en rode strepen langs de lymfevaten. θ Kwaadaardige pustel.
Enorme karbonkel, zes duim in doorsnede, verscheen in de rugstreek rechts van de wervelkolom, gepaard gaand met rillingen, nachtelijk zweet, koorts en prostratie. θ Na beet van een kat.
Donkere roodheid rond de zweer, die donker, bloederig pus afscheidt; spanning van de huid rond de karbonkel, alsof zij te kort was; nachtelijk branden in de zweer, zodat men moet opstaan en haar met koud water wassen. θ Anthrax.
Zwarte en blauwe vlekken; ecchymosen over het hele lichaam; de minste aanraking of druk brengt ze voort; drukgevoeligheid van het lichaam; doodse bleekheid van het gezicht; < na slaap. θ Anasarca.
Na roodvonk, door naar buiten te gaan voordat desquamatie was opgetreden, zwelling van het hele lichaam, scrotum zo groot als het hoofd van een kind, urine verminderd, ademhaling bemoeilijkt; aan de linkerzijde van de keel klierzwelling, zich uitbreidend tot achter het oor.
Ontsteking traag; de huid boven dood cellulair weefsel weinig geneigd tot ulcereren, en wanneer zij ten slotte op drie of vier plaatsen werd doorbroken, was de afscheiding schaars, dun, soms bloederig; grote prostratie. θ Karbonkel.
Man had gedurende verscheidene jaren geleden aan een opeenvolging van karbonkels en trage steenpuisten; de laatste tijd vier opeenvolgende karbonkels, waarvan geen enkele een volledig verloop had; na elk van deze karbonkels ging de gezondheid van de patiënt achteruit, totdat hij na de laatste te bed ging met hectische koorts; een abces diep in de adductorspieren van de dij werd geopend en loosde ongeveer een quart pus; vorming en afvoer van pus bleven rijkelijk voortduren; patiënt werd snel zwak, met hevige hectiek; verlies van eetlust; groot plaatselijk lijden. θ Karbonkel (zeven weken later raakten de resten van vier karbonkels ontstoken, abcessen vormden zich en afgestorven weefsel werd uitgestoten; de abcessen traden op in omgekeerde volgorde van het oorspronkelijke verschijnen van de karbonkel).
Purperachtige kleur van het aangedane deel; erysipelas breidt zich van links naar rechts uit θ Erysipelas neonatorum.
Duidelijke zwelling en roodheid van de keel, met moeilijk slikken, verheven papillen op de tong, hevige pijn in het hoofd, rood en gestuwd voorkomen van het gezicht, grote onrust, uitslag van miliair karakter, of wanneer deze niet aan de oppervlakte komt. θ Roodvonk.
Keelpijn en grote moeilijkheid met slikken; koorts; pols 120, snel en klein; keel uitwendig pijnlijk bij aanraking; nog geen eruptie. θ Roodvonk.
Pleuritische, pericarditische en algemene waterzucht bij vertraagde desquamatie, met grote prostratie. θ Scarlatina.
Roodvonk en scharlaken erupties, met zwelling van de cervicale klieren, zwarte lippen en roodachtige tong.
Keelsymptomen nemen een kwaadaardig karakter aan; tekenen van bloedvergiftiging en prostratie. θ Scarlatina.
Ligt op de rug met open mond; linker parotis enorm gezwollen; tong droog en bedekt met indrogend, stinkend slijm, dat zich naar achteren over de keelholte uitstrekt en de doorgang van de keel belemmert; neus verstopt met bloederig slijm, dat opgedroogd beide neusgangen hoog in de neus volledig afsluit; ogen naar achter gedraaid; kon op geen enkele manier uit de diepste stupor gewekt worden; pols samendrukbaar en klein. θ Maligne scarlatina.
Kankerachtige zweren breiden zich uit van de mond tot nabij de kin, met sanieuze afscheiding uit neusgaten en keel; voortdurend terugkerende spasmen van bijna het gehele musculaire systeem; trillende bewegingen in de spasmen, kort en bevend. θ Scarlatina.
Scarlatina maligna, gevorderde stadia, typhoïde toestanden, dreigende gangreen; destructieve ontleding van zowel vloeistoffen als vaste delen.
Jongen, æt. 9, had roodvonk onder allopathische behandeling, overleefde; daarna volgde zwelling aan de linkerzijde van de hals, die etterde, abces werd met lancet geopend; vervolgens verminderde de jongen in vlees, kracht en eetlust; sterk uitgeput; gezicht bleek, vuil, grauw; opgezet, geen eetlust; onrustig, hete, droge huid; prikkelbaar en jammerend; abces loost stinkend en overvloedig pus; zeer gevoelig voor alle bewegingen van het hoofd; een grote holte, geen spoor van gezonde granulaties; pols 140 en klein; bewegingen van de kaak bij het kauwen van vast voedsel waren niet te verdragen.
Afwisselend delier en stupor; onsamenhangend, traag mompelend delier; pols zacht, golvend, snel; calor mordax; ademhaling gepaard gaand met kreunen; snel, fluitend; af en toe een enkele hoest; grijpt naar de keel alsof hij de kleding daarvan wil afscheuren; pupillen sterk verwijd; schaarse urine, constipatie; gelaat cadaverisch; adem bedorven. θ Terugslag van mazelen.
Meisje, æt. 9, had gedurende de voorafgaande winter zeer ernstige scarlatina; zij bleef daarna teer en doof; werd blootgesteld aan mazelen; zes dagen later verscheen uitslag met overvloedige afscheiding uit de oren; twee dagen later hield de afscheiding plotseling op en verdween de uitslag; werd onmiddellijk zwak en geprostreerd; wild, mompelend delier; grote dorst, drinkt telkens maar weinig; de volgende dag eigenaardig bijtende hitte van de huid; pols zacht, golvend; bijna niet te tellen; calor mordax; kreunende ademhaling, snel, fluitend; af en toe een enkele hoest met na elke hoest een kreun, en een grijpen naar de keel alsof zij de kleding daarvan wil afscheuren; pupillen sterk verwijd; twee dagen geen stoelgang; schaarse urine en zelden geloosd; gelaat cadaverisch; adem bedorven.
Loodkleurige eruptie; gelaat bijna zwart; tong donkerbruin beslagen, sordes op de tanden, onvermogen de tong uit te steken. θ Mazelen.
Zwarte mazelen.
Jeuk over het hele lichaam, handen en voeten; na brandende pijnen verschenen blaasjes, met veel jeuk, bonzen, hitte; er ontstond een diffuse rode zwelling, sommige blaasjes zo groot als een noot, eerst met water gevuld maar later pus bevattend; veel ontsteking rond de delen; sommige pustels donkerblauw, met brandende, bonzende pijn in de zwelling, alsof het vlees van de beenderen werd gescheurd; pijnen tasten hoofd, tanden, borst, rug aan; hevige brandende pijn in het hoofd, met een gevoel van ziek zijn en misselijkheid; bonzen in het hoofd bij elke beweging; verdovende slaap na de aanvallen; pijnen < 's nachts; voortdurende dorst maar drinken maakt haar misselijk; soms verdwijnt de jeuk, dan is zij kortademig en vol angst. θ Schurft.
Na 's nachts krabben aan de kuit, een zweer ter grootte van een dollar, verkleurd, zeer pijnlijk.
Eigenaardig blauwrode of loodkleurige aanblik van zweren.
Kwaadaardige zweren; bloeden gemakkelijk; scheiden slecht riekende ichor af; diepe, vuile ettering; gangreneus; traag, met blauwe kleur.
Vlakke open zweren op het linkerbeen, met erysipelas.
Zweren, omgeven door puistjes, blaasjes en kleinere zweren.
De areola van de zweer neemt een blauwachtige kleur aan. θ Sycose.
Door wassingen ingedroogde zweer; na vatten van koude enkele weken later brak de gehele voet en enkel uit in kleine zweren, gelijkend op de oorspronkelijke zweer; grote pijn in de zweren; jeuk van voeten en enkels, bijna ondraaglijk; been < na slaap en > door warmte. θ Trage zweer.
Chronische trage zweren van de benen, vlak, met purperen huid; vele kleine zweertjes rond de hoofdzweer, die een oneffen bodem heeft, brandt en bloedt, zelfs bij lichte aanraking; ichoreuze, stinkende afscheiding.
Zweren klein en verspreid over hals en gezicht.
Huid rond zweren en wonden is geel, groen, loodkleurig, blauwrood of zwart.
Oppervlakkige zweren, vuil aan de bodem, met rode kronen.
Bruinrode areola rond de zweer werd zwartachtig blauw.
Vlakke zweren met een blauwachtig witte basis.
Zich uitbreidende, oppervlakkige, ondiepe zweer; verlamming van het linkerbeen.
Branden in zweren 's nachts.
Chronische trage zweren, met een oneffen blauwachtige bodem en stinkende geur.
Pijnlijke zweren, soms met wild vlees.
Pijn in oude littekens van zweren; oude rode littekens gaan weer open.
Sponsachtige ulceraties van syfilitische oorsprong.
Kankerachtige ulceratie, verrotting, vlees valt in stukken af.
Jongen, æt. 10, grote zweer midden op het voorhoofd, bedekt met een harde zwarte korst, weefsel eromheen hard en ontstoken; gezwollen opgezetheid strekte zich naar beneden uit aan beide zijden van de hals, die sterk gezwollen was, evenals de lippen; bij het nemen van een slok water greep hij naar de keel en toonde de hevigste pijn; gezicht zeer rood maar wit gevlekt; oren brandend heet bij aanraking, terwijl de pols slechts 85 was; onregelmatig en tamelijk zacht; plukte voortdurend aan het haar; om de paar minuten trekkingen van de armen; keel gezwollen en rood; de volgende ochtend tonsillen bedekt met een vuilwit membraan; 's avonds rijke scharlaken uitslag; bloeding van donker bloed uit neus en mond.
Chronische beenzweren (waarschijnlijk van syfilitische oorsprong); afscheiding hield op, extremiteit oedemateus; een harde, lichtrode zwelling, zich uitstrekkend langs het verloop van de hoofdaderen; grote en plotselinge prostratie; zacht mompelend delier, algemene typhoïde verschijnselen. θ Secundaire flebitis.
Karbonkels, met purperen omgeving en vele kleine steenpuisten eromheen; moet 's nachts opstaan en baden om het branden te stillen; ook wanneer de ettering traag is en er systemische zwakte bestaat; verdraagt geen verbanden.
Kwaadaardige furunkels, zeer pijnlijk, worden blauw en breiden zich uit.
Pijnlijke plekken worden fungoïd, donkerrood tot bruinachtig, met witachtige vlekken; branden bij het afwissen.
Fungus hematodes.
Vlekken geel, groen, rood, lood- en koperkleurig, bleek, livide; harde en bleke zwelling; zweren omgeven door knopen en blaasjes; spieren vallen in rafels van het bot; verlies van gevoel; tenen vallen af. θ Lepra.
Gevoel afwezig in de linkerarm; tenen vallen af; linkerzijde van de keelholte pijnlijk, met etterende zweren; menstruatie afwisselend overvloedig en afwezig. θ Lepra.
Doorligwonden, met zwarte randen.
Littekens worden rood, doen pijn, gaan open en bloeden.
Wratten.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Aandoeningen van magere, zwakke, melancholische personen, of van hen die chlorotisch zijn, met ziekelijke gelaatskleur ; vrouwen in het climacterium, met frequente metrorragieën en opvliegingen, brandende kruin, hoofdpijn, rugpijn, of overdag opvliegingen en 's nachts koude opwellingen, slapeloosheid, < in de namiddag, avond en na de slaap ; keelaandoeningen beginnen links, rheumatisme rechts.
Beter passend bij dunne en vermagerde dan bij corpulente personen ; ook passend bij hen die door hun ziekte zowel mentaal als lichamelijk veranderd zijn.
Past bij mensen met een levendige verbeelding.
Melancholisch of cholerisch temperament, met flegmatische constitutie ; met donkere ogen en neiging tot neerslachtigheid en traagheid.
Gallig temperament.
Vrouwen met cholerisch temperament, sproeten en rood haar.
Donkere ogen, geneigd tot loomheid en traagheid.
Klachten van het climacterium ; aambeien, bloedingen, opvliegingen, brandende hoofdpijn op de kruin ; vooral na het ophouden van de menstruatie.
Vrouwen die niet hersteld zijn van de overgang, "hebben zich sedertdien nooit meer goed gevoeld".
Dronkaards ; hoofdpijn, aambeien ; geneigd tot erysipelatoïde ontstekingen.
Erysipelas bij oude mensen.
Na onanie. θ Epilepsie.
Mensen die schade hebben ondervonden van kwikbehandeling.
Bij alle syfilitisch-mercuriële aandoeningen. θ Tertiaire syfilis.
Zuigeling, æt. 2 maanden ; cyanose.
Meisje, zuigeling, æt. 6 maanden ; kwaadaardige erysipelas.
Meisje, æt. 9 maanden ; difterie.
Kind, æt. 9 maanden, scrofuleus ; difterie.
Jongen, æt. 1, scrofuleus, schijnbaar gezond, bij wie de snijtanden werden ingesneden, waarna een hardnekkige bloeding optrad, die uiteindelijk met ijzerperchloride werd gestelpt ; anasarca.
Kind, æt. 21 maanden, lichte teint, blauwe ogen ; bronchiale catarre.
Jongen, æt. 2 ; membraneuze kroep.
Meisje, æt. 3, blond, tenger gebouwd.
Kind, æt. 3 ; buiktyfus.
Meisje, æt. 4, licht haar, blauwe ogen, tenger gebouwd ; verettering van de longen.
Jongen, æt. 4 ; difterie.
Jongen, æt. 5, schoolgaand, voordien goede gezondheid, lijdt sinds zes weken ; hersenprikkeling.
Meisje, æt. 5, donker steil haar en blauwe ogen, had op tweejarige leeftijd caries van de rugwervels ; verlamming van de benen en borstaandoening.
Jongen, æt. 5, in goede gezondheid en stemming, heeft een abces aan de pols ; convulsies.
Meisje, æt. 6 ; difterie.
Jongen, æt. 6, epileptisch, met groot hoofd, bleek, opgeblazen uiterlijk, tere constitutie, veertien dagen ziek ; difterie.
Kind, na bevriezing ; tetanus.
Jongen ; postdifterische oogaandoening.
Jongen, vijf dagen ziek ; difterie.
Meisje, na overmatige studie ; geestesstoornis.
Meisje, æt. 6 ; moeraskoorts.
Meisje, æt. 6 ; difterie.
Jongen, æt. 8, vijf dagen ziek ; difterie.
Jongen, æt. 8, verkoudheid opgelopen bij nat weer ; bronchiale catarre.
Meisje, æt. 8 ; difterie.
Jongen, æt. 8 ; difterie.
Jongen, æt. 8 ; keelaandoening.
Jongen, æt. 8, scrofuleus ; scarlatina.
Meisje, æt. 8, lichtrood haar, nerveus en gevoelig, levendig en opgeruimd wanneer gezond, na het laten doorprikken van de oren ; chorea.
Meisje, æt. 9, had enkele maanden geleden scarlatina, waardoor zij zwak en doof werd, werd negen dagen geleden aan mazelen blootgesteld, twee dagen geleden verscheen uitslag samen met overvloedige afscheiding uit de oren, nu verdwijnen zowel uitslag als afscheiding ; terugslag van mazelen.
Meisje, æt. 9, op driejarige leeftijd door een slang verschrikt ; geestesaandoening.
Jongen, æt. 9, blanke huid, donkere ogen, klein van stuk, goed ontwikkeld, gezond ; na scarlatina abces aan de linkerzijde van de hals.
Jongen, æt. 9, bleek, zwak, geneigd tot epileptiforme spasmen ; difterie.
Meisje, æt. 9 ; difterie.
Meisje, æt. 10 ; faryngitis.
Jongen, æt. 10, lijdend aan scarlatina, na buiten te zijn gegaan vóór de afschilfering voltooid was ; waterzucht.
Jongen, æt. 10 ; scarlatina.
Jongen, æt. 10, zeer nerveus temperament, psorische belasting ; roodvonk.
Meisje, æt. 10 ; difterie.
Jongen, æt. 12 ; aandoening van de knie.
Meisje, æt. 12, gezond uitziend, acht dagen ziek ; keelaandoening.
Meisje, æt. 13 ; buiktyfus.
Jongen, æt. 14, tonsillitis.
Jongen, æt. 16, sterk en actief, rood haar, donkere ogen, sproetige teint ; peritonitis.
Meisje, æt. 16, lichte teint ; buiktyfus.
Meisje, æt. 16 ; tonsillitis.
Jongen, æt. 17, vatbaar voor keelontsteking ; angina.
Meisje, æt. 18, gouvernante, robuuste constitutie, sinds een week ziek zonder waarneembare oorzaak ; neuralgie.
Meisje, æt. 18 ; difterie.
Meisje, æt. 20, blond, slank, zacht karakter ; erysipelas.
Zwak meisje, æt. 20 ; diarree.
Meisje, æt. 20, gallig temperament, vol habitus, door zitten op een kruk en piano-oefenen, lijdt sinds vier jaar ; aandoening van de wervelkolom.
Vrouw, æt. 20, na de geboorte van een kind dat op de vierde dag aan erysipelas stierf ; peritonitis.
Meisje, æt. 20, blond, dun, zacht temperament ; erysipelas aan been en voet.
Vrouw, æt. 20, sterk ; angina.
Jonge man, lang, actief, donker haar en donkere ogen ; difterie.
Jonge man, scrofuleus, zwak, heeft sinds verscheidene jaren eczeem op de armen en zweren aan de benen ; tonsillitis.
Jonge dame, gallig-lymfatisch temperament, lijdt sinds tien jaar ; constipatie.
Jonge vrouw, tere, nerveuze constitutie ; difterie.
Jonge vrouw, gehuwd, verfijnd gevoelsleven ; geestesstoornis.
Jonge man, teringachtige habitus, had sinds twee maanden hoest ; longtuberculose.
Jonge man, verzwakt door ziekte en medicijnen en verder door een fractuur van het sleutelbeen ; aandoening van de rechterhand.
Sterke jongeman ; aandoening van de tweede teen van de rechtervoet.
Jonge man, na overmatige studie ; glossomanie.
Jonge man, teringachtige habitus, vermagerd, had zes maanden geleden pneumonie ; longaandoening.
Jonge, robuuste zeekapitein, had eerder aan keelabces geleden ; keelaandoening.
Meisje, æt. 20, na het innemen van purgeermiddelen wegens enige spijsverteringsklachten ; diarree.
Man, æt. 21, scrofuleus ; angina.
Man, æt. 22 ; faryngitis.
Man, æt. 22, arts, ten gevolge van een verwonding opgelopen tijdens postmortaal onderzoek van een geval van puerperale peritonitis ; septikemie.
Man, æt. 23 ; pneumonie.
Meisje, æt. 23 ; epilepsie.
Vrouw, æt. 23, slank gebouwd, vroegtijdige baring ; puerperale convulsies.
Vrouw, æt. 24, multipara, klein, licht van teint, nerveus, sanguinisch temperament ; puerperale convulsies.
Man, æt. 24, draagt een bril ; astenopie.
Vrouw, æt. 24, brunette ; aangezichtsneuralgie.
Man, æt. 25, middelgroot, lichte teint, gespierd en gewend aan lichaamsbeweging in de open lucht ; chronische prikkelbaarheid van de fauces.
Meisje, æt. 26 ; difterie.
Man, æt. 28, klein, bruin haar, in de kinderjaren veelvuldige convulsies, na genezing van caries ; epilepsie.
Vrouw, æt. 28, zonnesteek twee jaar vóór de bevalling, waardoor zij sindsdien bedlegerig was ; puerperale convulsies.
Vrouw, æt. 28, lijdt sinds verscheidene weken ; gedeeltelijke doofheid.
Man, æt. 29, lijdt sinds zijn veertiende jaar ; epilepsie.
Vrouw, æt. 30, middelgroot, donkere teint, zwart haar, geneigd tot zwelling van klieren en ziekelijke afscheidingen van de slijmvliezen, had drie miskramen, nu in de achtste maand van de zwangerschap ; pustuleuze eruptie.
Vrouw, æt. 30 ; chronische aandoening van het strottenhoofd.
Vrouw, æt. 30, brunette, geeft sinds 5 maanden borstvoeding ; dunne melk.
Vrouw, æt. 30, gehuwd, zwakke constitutie, tuberculeuze aanleg ; tumor in de borst.
Man, æt. 30, een andere æt. 23 ; koorts.
Man, æt. 30, arbeider, na letsel ; gangreen van het been.
Vrouw, æt. 30, ongehuwd ; faryngitis.
Gehuwde vrouw, æt. 30, tuberculeus, zwakke constitutie, enigszins vermagerd en bleek, huid droog ; sinds tien jaar geen kind ; tumor in de linker mamma.
Vrouw, æt. 31, ongehuwd, lijdt sinds vele jaren ; hoofdpijn.
Vrouw, æt. 32, gehuwd, na nachtelijk waken ; convulsies.
Vrouw, æt. 32, brunette, cholerisch temperament ; manie.
Man, æt. 32, sanguinisch-nerveus temperament ; moeraskoorts.
Gravin V., æt. 33, na het inwrijven van een mengsel van Rhus tox. en alcohol op het abdomen wegens een verrekking van een baarmoederband ; herpes zoster.
Man, redacteur ; buiktyfus.
Man, plethorisch, neiging tot hydrothorax ; periodieke astma.
Man, na kwikbehandeling ; syfilis.
Dame, uitgeput door bezorgdheid en verzorging van een zieke vriend, kreeg een delier gevolgd door convulsies.
Vrouw, æt. 40, sinds een jaar zonder catamenia ; erysipelas aan het voetgewricht.
Vrouw, slanke gestalte, menstruele onregelmatigheden ; afonie.
Vrouw, gehuwd ; gevolgen van huiselijke zorgen ; melancholie.
Vrouw, zwak, gevoelig gemoed, tijdens het climacterium, na verdriet om de dood van haar echtgenoot en verlies van fortuin ; keelaandoening.
Vrouw, na de verzorging van een kind met schurft op zich te hebben genomen ; schurft.
Vrouw, vele jaren gehuwd, maar nooit zwanger ; chronische uteruscatarre. (Kreeg later een kind).
Vrouw, postdifterische aandoening.
Vrouw, in lente en herfst vatbaar voor acute pneumonie ; was vele jaren allopathisch behandeld ; ovariitis.
Vrouw, vermagerd, slank, bleek ; zweren aan de benen.
Vrouw, æt. 35, ziekelijk en zwak, slank, sterke beenderen, gallige constitutie, zacht karakter ; infiltratie op de rug.
Man, æt. 35, faryngitis.
Man, æt. 35 ; difterie.
Man, æt. 39, donker van teint, vermagerd, acht weken geleden geopereerd wegens fistula in ano, sinds vier weken ziek ; geestesstoornis.
Vrouw, æt. 40, ongehuwd, groot en vlezig, sedert vijftien jaar vatbaar voor aanvallen van catarre ; bronchiale catarre.
Vrouw, æt. 40, lijdt sinds 20 jaar ; hysterie.
Man, æt. 40 ; gangreen van de hand.
Man, æt. 40, na een wond aan het hoofd door van het paard te vallen ; gangreen van de wond.
Vrouw, æt. 40, heeft sinds een jaar niet gemenstrueerd ; erysipelas.
Vrouw, æt. 40, lang, slank, bleek ; zweren aan de benen.
Vrouw, æt. 40 ; indolente zweer.
Man, æt. 40, teringachtig ; zweren aan de benen.
Man, æt. 40 ; bijensteek.
Vrouw, æt. 42, moeder van twee kinderen, sanguinisch-gallig temperament ; astma.
Vrouw, æt. 42, sanguinisch-gallig temperament ; astma.
Vrouw, æt. 43, gehuwd ; irritatie van de hersen- en ruggenmergvliezen.
Vrouw, æt. 43 ; zweren aan het been.
Dame, æt. 43, slank, groot, cachectisch, scrofuleus ; darmkroep.
Vrouw, weduwe, æt. 43 ; catalepsie gedurende het climacterium.
Vrouw, æt. 45, vol habitus, nerveus, licht haar, blauwe ogen, levendig karakter, lijdt sinds jaren ; hoofdpijn.
Gehuwde vrouw, æt. 45 ; chronische neuscatarre.
Vrouw, æt. 48, 18 maanden na het climacterium, catamenia waren overvloedig, zeer donker, was geneigd tot congestie naar hoofd en borst ; zwelling van de rechter eierstok.
Vrouw, æt. 48, gallig, nerveus temperament, heeft sinds vele jaren elke lente en herfst acute pneumonie gehad, waarvoor zij tot speekselvloed werd gebracht, adergelaten, geblisterd en gepurgeerd ; algemene inzinking.
Vrouw, æt. 49, naaister, sinds drie jaar ; cefalalgie.
Vrouw, climacterische periode ; anale fistel.
Man, æt. 45, sinds drie weken ziek ; spasme van de glottis.
Man, æt. 45, vol habitus en gallig temperament ; functionele stoornis van het hart.
Man, æt. 48, vatbaar voor folliculaire faryngitis ; faryngitis.
Man, æt. 49, lichte teint, vijf dagen ziek ; ischias.
Vrouw, æt. 50, pas de kritieke periode doorstaan, sinds zes maanden ziek ; aandoening van anus en rectum.
Vrouw, æt. 50 ; schurft.
Vrouw, æt. 50 ; chronische aandoening van het strottenhoofd.
Vrouw, æt. 50 ; vreemd lichaam in de slokdarm.
Vrouw, æt. 50, flegmatisch, sanguinisch temperament, kleine gestalte, vader en broer stierven aan hartaandoening ; aanvallen van dyspneu en hartkloppingen.
Vrouw, æt. 50, groot en vlezig, in de kritieke periode, had sinds verscheidene jaren dilatatie van de linker ventrikel, aorta en carotis ; bronchiale catarre.
Vrouw, æt. 51, na plotselinge onderdrukking van de menstruatie door een gemoedsbeweging ; rheumatisme van de nervus vagus.
Vrouw, æt. 52, gehuwd, leuko-flegmatisch, zeer corpulent, lijdt sinds twintig jaar ; eruptie aan arm en abdomen.
Vrouw, æt. 52 ; sacculaire ovariumaandoening.
Vrouw, æt. 53, plethorisch, robuust, cholerisch ; zweer aan het been.
Vrouw, æt. 56, in het climacterium ; aandoening van de lever.
Man, æt. 57, nerveus-gallig temperament, donker haar en donkere huid, lijdt sinds vijfendertig jaar ; eczeem.
Man, æt. 60, gehuwd, sedert vijf jaar vatbaar voor incidentele aanvallen van hevige pijn in het achterhoofd ; convulsies.
Man, æt. 60, sterk, goed gebouwd, volle borst, blauwe ogen, lijdt sinds zijn zesde jaar ; hoofdpijn.
Bejaarde vrouw, mager en cachectisch ; phthisis pulmonalis.
Dame, æt. 60, lang, donker, leerachtige huid, zwak, mager, nerveus-gallig, gesteld op goed leven ; tertiaire moeraskoorts.
Man, æt. 60, sterk, goed gebouwd, blauwe ogen ; hoofdpijn.
Vrouw, æt. 65, gezet, vlezig, sedert vele jaren periodieke aanvallen door leverabces.
Vrouw, æt. 69 ; zweren aan de benen.
Vrouw, æt. 70, sinds zes maanden ziek ; bronchiale catarre.
Vrouw, æt. 76, lijdt al lange tijd aan verstikkende hoest ; borstaandoening.
Man, æt. 80 ; vertigo.
Man, æt. 86 ; ischias.
RELATIES [48]
Tegengewerkt door : uitwendig toegepaste stralingswarmte, inwendig alcohol ; zout. De verdunningen worden, afhankelijk van hun uitwerking, tegengewerkt door : Alum., Arsen., Bellad., Coccul., Coffea, Hepar, Mercur., Nitr. ac., Nux vom., Phos ac .
Het werkt als antidotum tegen : de gevolgen van Bufo, Crotal., Rhus tox .
Compatibel : Acon ., Arsen., Bellad., Bromium, Carbo v., Cinchona, Hepar, Hyosc., Kali bich., Lac c., Lycop., Mercur., Nitr. ac., Nux vom., Olnd., Phosphor., Pulsat., Silica, Sulphur, Tarent .
Incompatibel : Acet. ac .
Complementair : Hepar, Lycop., Nitr. ac .
Vergelijk : Crotal., Naja trip., Elaps. cor . en Bothrops can ., wat hun algemene werking op bloed en zenuwstelsel betreft ; Sulphur en Lycop . bij afasie ; Theridion en Moschus , duizeligheid < bij het sluiten van de ogen, hoofdpijn door de zon ; Arsen., Hydr. ac., Lauroc., Digit . en Veratr ., flauwvallen door zwakte van het hart ; Kali carb , het hart hangt aan een draadje ; Glon, Bellad., Camphor, Natr. carb ., en Therid ., gevolgen van zonnehitte ; Stramon., Agaric., Mephitis, Act. rac . en Paris quad ., spraakzucht ; Opium, Hyosc., Arnica, Alum., Lycop., Rhus tox. , buiktyfus ; Mercur., Cinchona, Pulsat., Bryon., Gelsem ., catarrale en reumatische hoofdpijn ; Silica , verlangen het hoofd omwikkeld te hebben ; Crotal., Phosphor en Arnica bij retinale apoplexie ; Crotal . en Elaps , otorroe ; Apis, Arsen ., en Kali carb ., oedeem van het gezicht ; Cicut ., dyspneu door spasme ; Apis, Rhus tox . en Euphorb ., erysipelas, herpes, enz. ; Phytol ., keelpijn, zwakte, enz. ; Lac can., Crotal . en Naja , difterie ; Cinchona, Carbo veg., Hepar, Kreos., Kali bich., Nux vom . en Lycop ., dyspepsie en abdominale aandoeningen ; Colchic . en Elaps , koud gevoel in de maag ; Bellad., Caustic., Natr. mur., Nitr. ac., Ignat., Kali bich., Opium, Plumbum, Mez . en Coccul ., constrictie van de anus, anale tenesmus en dysenterie ; Anacard ., gevoel van een prop in het rectum ; Hepar, Asaf., Lycop., Mur. ac., Silica, Sulph. ac . en Arsen ., ulceraties ; Apis, Arg. met., Platin., Murex, Pall., Lycop ., en Graphit ., ovariële en uteriene aandoeningen ; Crotal., Helleb., Digit., Tereb., Apis en Colchic ., vesicale en renale aandoeningen, met hematurie ; Calc. ostr ., galstenen ; Phosphor . en Thuja , fungus hematodes ; Natr. mur . en Ledum , gevolgen van een bijensteek ; Lact. ac ., volheid van de keel en constrictie ; Tarent. cubensis ., pijnlijke karbonkels.