Silica

van John Henry ClarkeWoordenboek van de praktische Materia Medica

Silicea terra. Zuivere vuursteen. Silex. Kiezelzuuranhydride. Siliciumdioxide. SiO 2 . Trituratie van zuivere, geprecipiteerde silica.

Klinisch

Abdomen, opgezet / Abces / Acne / Anemie / Enkels, zwak / Anus, fissuur van; fistel van / Eetlust, pervers / Rug, zwakte van / Steenpuisten / Beenderen, necrose van / Hersenen, hersenschudding van / Mentale uitputting / Borst, sinussen in / Knobbel aan grote teen / Kanker / Karbunkel / Cataract / Cellulitis / Keloid / Kin, erupties op / Litteken / Circulatie, zwak / Coccygodynie / Conjunctivitis, phlyctenulair / Constipatie / Coryza / Hoest / Debiliteit / Dentitie / Diabetes / Oor, aandoeningen van / Elephantiasis / Enchondroom / Enuresis / Epilepsie / Erupties / Uitwassen / Ogen, aandoeningen van / Voeten, branderig / transpirerend / Ettering / Fibroom / Fistel / Voetzweet; onderdrukt / Vreemde lichamen, uitdrijving van / Fracturen / Ganglion / Maagkatarrh / Klierzwellingen / Hoofdpijn / Hernia / Heupgewrichtsaandoening / Heimwee / Dienstmeisjesknie / Hydrocele / Hypopyon / Irritatie / Kaak, caries van / Gewrichten, synovitis van / Traanfistel / Lactatie / Locomotorische ataxie / Manie / Meningitis / Metrorragie / Miskraam / Molluscum contagiosum / Molluscum fibrosum / Morphea / Ziekte van Morvan / Nagels, ziekelijke / Necrose / Neuralgie / Knopen / Neus, roodheid van de punt / Panaritium / Parametritis / Transpiratie, kwalijk riekend / Phimosis / Pleuritis / Voorhuid, eruptie op / Psoasabces / Pylorus, ettering van / Reuma; chronisch / erfelijk / Rachitis / Sinussen / Slaapwandelen / Spermatorroe / Spinale irritatie / Verrekkingen / Strangurie / Ettervorming / Tanden, caries van / Tenesmus / Luchtpijp / Tumoren / Zweren / Urethra, strictuur van / Urine, incontinentie van / Vaccinatie / Vagina, spasmen van / Duizeligheid / Lopen, vertraagd leren / Omloop / Wormen / Schrijfkramp

Kenmerken

Buiten de homeopathie is vuursteen als inwendig geneesmiddel praktisch onbekend. Hahnemann voerde het in de geneeskunde in, en het was zijn methode om onoplosbare stoffen te potentieren die hem in staat stelde de krachten ervan te ontdekken. Silica vormt een van de belangrijkste middelen van de Chronic Diseases. Een groot deel van de aardkorst bestaat uit Silica. Zeezand (Silica marina) bestaat er grotendeels uit. De spiculae van veel sponsen zijn opgebouwd uit Silica. Silicaten worden door planten opgenomen en daaruit wordt Silica vaak afgezet op het oppervlak of in het inwendige van hun stengels. De stevigheid van stro is te danken aan Silica. Equisetum bevat gewoonlijk wel 18 procent Silica ten opzichte van de verse plant. Vuursteen levert de 'grit' van de aardkorst, van het plantenleven en in grote mate ook van het dierlijk leven. 'Gebrek aan ruggengraat, moreel of lichamelijk,' is een leidende indicatie voor Sil. in de homeopathische praktijk. Teste plaatst Sil. in zijn Pulsatilla-groep van middelen, waarvan de andere leden Calc., Hep., Graph., Pho. zijn. Volgens Teste is Sil. het 'chronicum' van Puls.; het komt overeen met de chronische vorm van ziekten die Puls. in acute toestand geneest: bloedaandrang naar het hoofd, vooral naar de rechter slaap en de kruin; dagelijks hoofdpijn; fotofobie; tranenvloed; smaakverlies; afkeer van vet voedsel met een ranzige of olieachtige smaak in de mond, enz. De symptomen van Sil. verschillen van die van Puls. doordat zij constanter zijn, dieper liggen en langer aanhouden; zo worden de slijmafscheidingen van Puls. onder invloed van Sil. gemakkelijk purulent. Teste wijst erop dat Puls. het best gedijt op zandgronden (zoals Bell. op kalkgronden). Schussler, die homeopaat was voordat hij biochemicus werd, beschrijft de sfeer van Sil. vanuit het standpunt van het weefselmiddel als volgt: ' Kiezelzuur is een bestanddeel van de cellen van het bindweefsel, van de epidermis, het haar en de nagels. Als zich een etterhaard vormt, hetzij in het bindweefsel hetzij in een deel van de huid, kan Sil. worden gebruikt. Nadat het functionele vermogen van de bindweefselcellen, dat door de druk van de pus was aangetast, door toevoer van moleculen van Sil. weer in zijn integriteit is hersteld, worden deze cellen daardoor in staat gesteld vijandige stoffen (de pus) af te werpen. Daardoor wordt de pus ofwel door de lymfevaten geabsorbeerd, ofwel uitgestoten. In het laatste geval ontstaat er een zogenoemd spontaan openbreken van de etterhaard. Sil. kan ook de absorptie door de lymfevaten veroorzaken van een bloeduitstorting in elk willekeurig weefsel. Als de resorptie van een sero-albumineus exsudaat in een sereuze holte niet door Calc. phos kan worden bewerkstelligd, dan kan Sil. worden gebruikt; want de vertraging van de absorptie kan ook veroorzaakt worden door een tekort aan Sil. in het subsereuze bindweefsel. Sil. geneest ook chronische artritisch-reumatische aandoeningen, daar het met de soda van uraat van soda een oplosbare verbinding vormt (natriumsilicaat); deze verbinding wordt dan geabsorbeerd en door de lymfevaten verwijderd. Om dezelfde reden kan het ook gebruikt worden bij niergruis. Sil. kan ook de transpiratie van de voeten herstellen wanneer deze onderdrukt is geweest, en is daardoor een indirect middel bij ziekten die als gevolg van die onderdrukking ontstaan (bv., amblyopie, cataract, verlamming, enz.). Wanneer een aantal cellen in het bindweefsel geleidelijk van Sil. beroofd wordt, atrofiëren zij. Zo'n aandoening is geenszins zeldzaam in de uitwendige gehoorgang bij oude mensen. De gehoorgang is in zo'n geval droog en verwijd,' (Schussler voegt eraan toe dat hij gewoonlijk de 12x-trituratie geeft.) De indicaties van Schussler stemmen zo exact overeen met die welke Hahnemann reeds had aangewezen, dat men in twijfel blijft hoeveel hij voor zijn feiten aan Hahnemann te danken had en hoeveel aan zijn eigen theorieen. Hoe dat ook zij, de relatie van Sil. tot het bindweefsel is zeer reeel. Sil. is een groot evacuerend middel. Sil. verwekte in de provings het gevoel van 'een splinter in de vinger', van 'een speld in de keel', en telkens wanneer vreemde lichamen in de weefsels vastgeraakt zijn, of wanneer gedeelten van de weefsels necrotisch en als het ware vreemd geworden zijn, zal Sil. ettering in de nabijheid opwekken en hun uitdrijving bewerkstelligen. (Deze eigenschap maakt het noodzakelijk Sil. soms met voorzichtigheid te gebruiken; als er afzettingen zijn die ingekapseld en daardoor vooralsnog onschadelijk zijn geworden, zou toediening van Sil. etterende werking kunnen opwekken, met gevaar voor het leven van de patient.) Sil. brengt zowel abcessen tot rijping als het overmatige etteren tot rust. Het doet ook verhardingen verdwijnen die na ettering zijn achtergebleven; dit is vooral opgemerkt bij amandelen die niet willen genezen nadat de pus is afgevoerd, en bij abcessen die sinussen en fistels achterlaten. Sil. tast de nagels aan, verminkt ze, en veroorzaakt ontsteking rondom en onder de nagels. 'Gevoel alsof de vingertoppen aan het etteren zijn' is een van de symptomen die tot het gebruik ervan in zulke gevallen hebben geleid. Sil. veroorzaakt ontsteking, zwelling en ettering van alle lymfeklieren en ook van de klieren van de huid. De huid is ongezond en elk klein letsel ulcereert. Handen en voeten zweten, en het zweet is gewoonlijk kwalijk riekend. De voeten kunnen een ondraaglijke geur afgeven zonder enig zweet. Het hoofd zweet, en dit kan kwalijk ruiken. Sil. past volkomen bij veel gevallen van rachitis: kinderen met grote hoofden; open fontanellen en suturen; veel zweten rond het hoofd, dat warm gehouden moet worden; opgezet abdomen; zwakke enkels; traag in het leren lopen. Dit vormt type nr. 1, waarvoor Sil. bijzonder geschikt is. Het is ook geschikt voor: (2) nerveuze, prikkelbare personen, met droge huid, overvloedig speeksel, diarree, nachtzweten. (3) zwakke personen, fijne huid, bleek gelaat, lichte teint; slappe spieren. (4) constituties die lijden aan gebrekkige voeding door gebrek aan assimilerend vermogen; lichamelijk en geestelijk overgevoelig. (5) scrofuleuze kinderen die tijdens het tanden krijgen wormaandoeningen hebben. (6) kwalen van steenbewerkers (borstaandoeningen en volledig verlies van kracht). De werking van Sil. op het bindweefsel kan zowel op nieuwvorming als op ettering en verzwering uitlopen. Het heeft een specifieke relatie tot littekenweefsel; en ik heb er een geval van recidiverend keloid mee genezen: Eleanor W., 14 jaar, had een gezwel op de linker slaap. Vijf maanden tevoren was zij opgenomen geweest in St. Bartholomew's Hospital, en daar was een tumor op die plaats verwijderd, die al twee jaar bestond. Een maand na de operatie verscheen een nieuwe groei op het litteken. Twee maanden later werd deze verwijderd. Maar hij keerde snel terug, en toen ik haar zag was er een lineaire verhevenheid van een duim lang, drie lijnen breed en ongeveer twee lijnen verheven. Zij was rood, glanzend en licht nodulair; pijnlijk bij aanraking en de zetel van schietende pijn. Voor de eerste operatie was er geen pijn geweest en geen verkleuring van de huid. Hahnemann geeft dit symptoom in de proving van Sil.: 'Stekende, zeurende pijn op de plek waar vroeger een zweer aan het been was.' Sil. 3 gr. iii., 's avonds en 's morgens, werd voorgeschreven. Er trad geen verdere toename van de grootte van de groei op, al bleef hij wel pijnlijk, waarbij de pijn schijnbaar enigszins toenam. Na drie maanden was er duidelijke afname in omvang, en vanaf dat moment begon de pijn af te nemen. Na zeven maanden was de groei geheel verdwenen. De gevoeligheid van Sil. is een van zijn keynote-symptomen, en een overmatige vatbaarheid voor zenuwprikkels is vaak een begeleider van toestanden die Sil. vereisen. Het oppervlak is drukpijnlijk en de minste aanraking doet pijn. De zintuigen zijn ziekelijk scherp. Hersenen en wervelkolom verdragen zelfs gewone trillingen niet. Deze toestand kan veroorzaakt worden door vochtverlies zoals bij spermatorroe; door overwerkt brein. Sil. veroorzaakt neiging tot verlamming en paralytische zwakte door gebrekkige voeding van de zenuwen van hersenen en ruggenmerg. Constipatie is vaak een begeleidend verschijnsel van deze toestanden. Er kunnen epileptische stuipen zijn. Deze hebben een goed gemarkeerd verloop, beginnend vanuit de zonnevlecht; zijn < bij volle en nieuwe maan; en < door elke overbelasting van geest of emoties. Sil. is aangewezen bij locomotorische ataxie wanneer de vingers stijf aanvoelen met krachtsverlies erin. Er is spinale irritatie. De nek is stijf en veroorzaakt hoofdpijn. De lendenen doen pijn alsof zij geslagen zijn. Het lichaamsdeel waarop men ligt, slaapt in. De hoofdpijnen van Sil. vertonen een van de grote kenmerken van het middel. Zij zijn van chronische aard en kunnen hun oorsprong te danken hebben aan een ernstige ziekte uit de jeugd. Zij stijgen op van de nek naar de kruin, alsof zij uit de wervelkolom komen, en zetten zich in een oog vast, vooral het rechter; < door tocht of het ontbloten van het hoofd; > door druk en het hoofd warm in te wikkelen; > door overvloedig urineren. De duizeligheid van Sil. stijgt op dezelfde manier op vanuit de achternek; alsof men voorover zou vallen (soms achterover); < door omhoog te kijken; bij het sluiten van de ogen; liggend op de linker zijde. De gevoeligheid van Sil. komt tot uiting in de geestessymptomen: 'Gevoelig voor geluid; en daardoor angstig.' 'Gevoelige, wenende stemming.' 'Toegeeflijk, kleinmoedig.' 'Kinderen worden koppig, eigenzinnig; huilen wanneer vriendelijk tot hen gesproken wordt.' Een merkwaardig symptoom en van grote waarde is dit: 'Vaste ideeen: de patient denkt alleen aan spelden, vreest ze, zoekt ernaar en telt ze zorgvuldig.' Dit symptoom stelde mij in staat een snelle genezing te bewerken van post-influenzale waanzin bij een man met belaste familieanamnese, van wie een zuster krankzinnig was geworden en zichzelf had verdronken, terwijl een andere zuster lupus had. De vrouw van de patient vertelde mij op een ochtend dat hij ' overal naar spelden had gezocht.' Sil. 30 maakte spoedig een einde aan het zoeken en bracht de patient weer tot zijn verstand. Sil. heeft nog een andere band met waanzin in zijn verergering bij de maanfasen: epilepsie en slaapwandelen zijn < bij nieuwe en volle maan. De Sil.-patient laat zich graag magnetiseren, en is > daardoor. Dit hangt samen met het hardnekkige gebrek aan vitale warmte dat de Sil.-toestand kenmerkt; zelfs lichaamsbeweging wekt geen warmte op. Een ander merkwaardig symptoom van Sil. is: 'bloederige afscheiding uit de vagina telkens wanneer het kind aan de borst neemt.' Een ander symptoom in deze relatie is belangrijk in verband met kankergevallen: 'tepel is als een trechter naar binnen getrokken.' Altijd voor en tijdens de menstruatie is er constipatie. De constipatie van Sil. is karakteristiek. De ontlasting is moeilijk, als door inactiviteit van het rectum; met sterk persen alsof het rectum verlamd was; wanneer zij gedeeltelijk uitgedreven is, trekt zij zich weer terug. Faeces blijven lang in het rectum. Rushmore (H. P., xii. 530) bevestigde een eigenaardig symptoom van Sil. bij een dame die aan scirrhus van de linker borst leed. Zij had een gevoel van droogheid in haar *vingertoppen, alsof zij van papier waren; 's nachts. Ant. t. en Sil. hebben dit symptoom, maar alleen Sil. in de namiddag. Sil. nam dit weg en deed ook de scherpe, stekende pijnen in de tumor verdwijnen. Eigenaardige gewaarwordingen van Sil. zijn: vatbaarheid voor zenuwprikkels, voor magnetisme. Alsof zij zou sterven. Alsof de zintuigen geleidelijk uitvielen. Alsof men naar spelden voelde. Gevoel alsof zij in twee helften verdeeld was en de linker helft niet bij haar hoorde. Alsof men voorover zou vallen. Duizeligheid alsof dronken. Alsof het hoofd wemelde van levende wezens die erin rondtollden. Hoofdpijn alsof geslagen. Alsof alles naar buiten zou drukken en de schedel doen barsten. Alsof hersenen en ogen naar voren werden gedrongen. Alsof het hoofd door de kloppingen, inwendig en uitwendig tegelijk, zou barsten. Alsof het voorhoofd uit elkaar gescheurd zou worden; alsof er een zware last op de ogen lag. Alsof het hoofd uit elkaar gedrongen werd. Alsof waterleidingen in het hoofd barstten. Alsof een geweldige last op de kruin viel. Hoofd alsof het in een kussen lag en iemand met twee vingers in het achterhoofd drukte. Alsof de hersenen tegen de schedel botsten. Hoofd alsof het gekneusd was. Alsof golven water van het achterhoofd over de kruin naar het voorhoofd liepen. Ziekelijke hoofdpijnen alsof zij uit de wervelkolom komen en zich boven een oog lokaliseren. Hoofd alsof het te groot was. Alsof het hoofd eraf viel; alsof het aan een stukje huid in de nek hing. Alsof de rechter helft van het hoofd verlamd was. Alsof men door een grijze bedekking keek. Alsof het hoornvlies een massa hypertrofisch weefsel was. Ogen alsof ze te droog waren en vol zand zaten. Alsof er een splinter in het bovenooglid zat. Alsof beide ogen door koorden naar achteren in het hoofd werden getrokken. Voorwerpen alsof zij in nevel waren. Alsof er iets levends in de oren was. Alsof het neusbeen geslagen was. Alsof er een haar op de tongpunt lag die zich in de luchtpijp uitstrekte. Alsof er een brok aan de rechter zijde van de keel zat. Alsof er een speld in de keel zat. Keel alsof zij opgevuld was. Alsof hij niet kon slikken. Alsof hij over een pijnlijke plek slikte. Alsof er een last in het epigastrium lag. Alsof messen in de maag drongen. Alsof er geen kracht in het rectum was om de ontlasting uit te drijven. Alsof het rectum verlamd was. Alsof de anus vernauwd was. Alsof er een zware klomp in de anus zat. Alsof de vulva vergroot was. Alsof de borst met een band was omsnoerd. Alsof het borstbeen werd vastgegrepen. Alsof er een steen onder het borstbeen lag. Alsof zich schimmel over het hele lichaam vormde. Alsof een hand haar borstbeen had vastgegrepen. Spieren van de nek alsof eraan getrokken werd. Lendenen alsof zij geslagen waren; alsof zij dood waren. Armen en handen alsof zij met lood gevuld waren. Alsof er een splinter in een vinger zat. Alsof zich een panaritium in de wijsvinger zou vormen. Alsof de vingertoppen aan het etteren waren. Alsof een vinger dik was en het bot vergroot. Alsof de vingergewrichten uit de kom werden getrokken. Ledematen en voeten alsof zij verlamd waren. Dijbeen alsof het geslagen was. Knieen alsof zij te strak gebonden waren. Kuiten alsof zij te kort waren. Alsof er krampen in de enkels waren. Alsof de teengewrichten uit de kom werden getrokken. Nagels alsof zij verrot waren. Alsof men overal geslagen was. Alsof hij in een ongemakkelijke houding had gelegen. De richting van de werking van Sil. is omhoog en naar buiten: er zijn schietende pijnen naar buiten door de ogen en naar buiten uit de oren. De symptomen zijn: < door aanraking; contact; het kammen van het haar. Strak ombinden > hoofdpijn; maar druk van een hoed = pijn. Druk <. Rust >. Beweging <. Liggen < astma; = hoofdpijn. Liggen op de rechter zijde < leverpijnen. Liggen op de linker zijde = duizeligheid. Zitten <. Gapen of slikken > verstopping van het oor. Ogen openen < drukkende pijn. Schrijven = tonische kramp van de hand. Lopen <; elke stap wordt pijnlijk gevoeld (ingeklemde winden). Open lucht < hoofdpijn; = tranenvloed; branden in de rug. Koude lucht (vooral op hoofd, ogen, achternek, rug); koude tocht; linnengoed verschonen; ontbloten <. < door wassen. Weersverandering < oorpijn; < pijn in de ledematen. < voor en tijdens onweer. > zomer. < naderen van de winter. < bij nieuwe maan; wassende maan (hysterie); en volle maan. > in warme kamer; door warme omslagen. < geestelijke inspanning; praten. Pijn in het hoofd > tijdens eten. < na het eten. Melk <; = diarree. Afkeer van moedermelk en braken telkens na het nemen ervan. Koud water drinken = droge hoest. Warme dranken > hoest. Afkeer van warm voedsel. > door magnetisme en elektriciteit.

Relaties

Geantidoteerd door: Camph., Hep., Fl. ac. Het antidoteert: Merc. cor., Sul. Onverenigbaar: Merc. Volgt goed op: Bell., Bry., Calc., Calc. p. (bij rachitis wanneer Calc. p. faalt), Cin., Graph., Hep., Ign., Nit. ac., Pho. Goed gevolgd door: Hep., Fl. ac., Lach., Lyc., Sep. (Als de verbetering onder Sil. ophoudt, zal een of twee doses Sul. reactie opwekken, waarna Sil. de genezing voltooit). Complementair: Thuj., Sanic., Puls. (Sil. is het 'chronicum' van Puls.). Vergelijk: Hoofdzweten en open fontanellen, Calc. (Sil. lager dan Calc. en kwalijk riekend). Hoofd moet warm gehouden worden, Sanic., Mg. m. Klachten door onderdrukt voetzweet, Cup., Graph., Pso. Gebrek aan vitale warmte, Led., Sep. Duizeligheid alsof men door omhoog te kijken voorover zou vallen, Puls. (door omlaag te kijken, K. ca., Spi.). Chronische migraine sinds een ernstige ziekte uit de jeugd, Pso. Hoofdpijn > door druk en warm inwikkelen, Mg. m., Stron. Constipatie voor en tijdens de menstruatie (diarree voor en tijdens de menstruatie, Am. c., Bov). Gedeeltelijk uitgedreven ontlasting trekt zich terug, Thu. Fistel in ano wisselt af met borstklachten, Berb., Calc. p. Slaapwandelen, Luna, K. bro. Vaccinatie: erysipelas, convulsies, diarree, Thu. (Thu. wanneer de koorts hoog is), Apis, Sul., Malan., Vacc., Var. Litteken, anusfissuur, Graph. Kwalijk riekend zweet (hoofd, voeten, oksels), Petr. Afkeer van aanraking, Cin., Hep., Thu., Lach., Asaf. (Asaf., kwalijk riekende afscheiding uit weefsels, 'ondraaglijke gevoeligheid rond de zweer, kan zelfs het verband niet verdragen'). Caries, Plat. mur., Ang. (lange beenderen), Stron. c. (dijbeen, met waterige diarree), Gettys. (caries met zweren rond gewrichten, bijtende afscheiding), Calc. (scrofuleuze personen; zweet zuur eerder dan kwalijk riekend; voetzweet is niet excorierend; niet zo gevoelig als Sil.). Zweet van het hoofd, lichaam droog (Rhus, zweet van het lichaam, hoofd droog). Laatste stadium van phthisis, Phell. Perforerende zweren, Nit. ac., K. bi. Hoofdpijn opstijgend vanuit de nek, Meny. (barstend; > door druk; niet > door warmte), Paris (hoofd voelt ongewoon groot), Stron. c., Sang. (naar rechter oog), Spi. (naar linker oog). Troebel zicht na hoofdpijn, Sil. (voor de hoofdpijn, K. bi.). < bij vochtige weersverandering, Bar. c. Voetzweet, scrofulose, rachitis, en hoofdpijn > door warm inwikkelen, Mg. m. Catarale phthisis, Stn. Borstabces, fistels, necrose (van kaak), Pho. (Pho. heeft meer erythemateuze roodheid en uitstralende strepen rond de opening). Hooikoorts, jeuk aan de openingen van de buis van Eustachius, Ars., Rosa, Ran. b. Zenuwuitputting, Pic. ac. Chronische ettering van het middenoor, Caps. Catarale diarree, Puls. Dreigende tetanus, wond houdt plotseling op met afscheiden, Nux. Zwakte van de enkels, Caust., Sul. ac. < Onweer, Na. c., Pho., Rho., Pet. < Door kou of tocht (Fl. ac., > koude applicaties). Misselijkheid bij vasten, Pul., Lyc. Calc. Ongeduldig, Cham., Sul. Mouches volantes, hardnekkig vlekje voor het rechter oog (Sul., voor het linker; Macrot., rechts in de ochtend). 'Uitgewassen,' maar wil niet toegeven (Pic. ac., moet toegeven). Aandoeningen van een zijde van de tong, Calc., Thu. (zweer aan de rechter rand, Sil., Thu.; links, Apis; linker zijde gezwollen met spraakverlies, Lauro.). Hongerig maar krijgt het voedsel niet naar beneden, Sil., Lyc. Haargevoel op de tong, Nat. m., K. bi. (achteraan). Kinderen zijn koppig, eigenzinnig, huilen wanneer men vriendelijk tot hen spreekt, Iod. Tepel naar binnen getrokken als een trechter, Sars. Ongezonde huid, elk klein letsel ettert, Graph., Hep., Petr., Merc. Verminkte nagels, Ant. c. Ingroeiende teennagels, Mgt. aust. Vat kou door blootstelling van de voeten, Con., Cup. Vat kou door het ontbloten van het hoofd (Bell., door het knippen van het haar). Moeite het hoofd op te houden, Ant. t. Eeltknobbels aan de voeten, Ant. c. < Na coitus, K. ca. Evacuerend middel van vreemde lichamen, Lobel. i. Koud water drinken = droge hoest (Caust., >). Ganglion, Benz. ac., Sul. Chronische en erfelijke reuma, Led. (maar Led. heeft < door warmte, en de symptomen breiden zich van beneden naar boven uit, terwijl Sil. vooral de schouders en gewrichten aantast). Fibroom, Nat. sf. Keloid en littekens, Thios. Heimwee, Caps., Ph. ac. Brachiale neuralgie, Calc. (zie geval onder CALC.).

Oorzaken

Vaccinatie. Steenhakken. Verlies van lichaamsvochten. Letsel. Verrekkingen. Splinters. Vreemde lichamen.

1. Geest

Moedeloosheid, melancholie en neiging tot huilen. Heimwee. Angst en gejaagdheid; toegeeflijke, angstige stemming. Zwijgzaamheid; in zichzelf gekeerd. Onrust en slecht humeur bij de geringste aanleiding, voortkomend uit overmatige zenuwzwakte. Gewetensbezwaren (over kleinigheden). Rusteloos en friemelig; grote neiging om te schrikken, vooral door het geringste geluid. Ontmoediging. Somberheid, slecht humeur en wanhoop, met intense levensmoeheid. Wenst zich te verdrinken. Neiging tot woedeaanvallen, koppigheid en grote prikkelbaarheid. Het kind wordt koppig en eigenzinnig; huilt wanneer vriendelijk tot hem gesproken wordt. Opwinding met gemakkelijk orgasme van bloed. Afkeer van arbeid. Apathie en onverschilligheid. Zwakte van het geheugen. Onvermogen tot nadenken. Grote verstrooidheid. Neiging woorden verkeerd te gebruiken bij het spreken. Vaste ideeen; de patient denkt alleen aan spelden, vreest ze, zoekt ze en telt ze zorgvuldig.

2. Hoofd

Duisterheid. Het hoofd wordt vermoeid door intellectuele arbeid (lezen, schrijven of nadenken). Moeite het hoofd rechtop te houden. Duizeligheid, vooral 's avonds, als door dronkenschap. Duizeligheid van verschillende aard, vooral 's morgens, en voornamelijk bij het opslaan van de ogen, of bij het rijden in een rijtuig, en ook bij bukken, of na gemoedsbewegingen. Duizeligheid, met misselijkheid en kokhalzen, of opstijgend van de rug naar de nek en het hoofd. Duizeligheid: alsof men voorover zou vallen; moet naar rechts lopen; moet gaan zitten; bij het sluiten van de ogen; door liggen op de linker zijde. Duizeligheid waardoor men achterover valt. Pijn die van de nek naar de kruin opstijgt en 's nachts soms de slaap verhindert. Hoofdpijn bij oververhitting. Hoofdpijn, met rillen, lusteloosheid en noodzaak om te gaan liggen. Elke ochtend hoofdpijn. Zeurende pijn in het hoofd, met slecht humeur en zwaarte in alle ledematen, soms 's morgens. Zwaarte van het hoofd; uitdrukkende druk in het voorhoofd, dat lijkt te willen splijten, soms elke dag, van ochtend tot avond (< van avond tot nacht, door hard stappen, door het ontbloten van het hoofd, of als het hoofd in de open lucht koud wordt). Spanning en druk in het hoofd, alsof het zou barsten (opstijgend van de nek naar het voorhoofd). Trekkingen in het hoofd, die schijnen uit te gaan via het voorhoofd. Scheurende pijnen in het hoofd, vaak halfzijdig, met schietende pijnen die schijnen uit te gaan door de ogen en in de beenderen van het gelaat en de tanden, of die zich elke ochtend voordoen, met hitte in het hoofd, vooral in het voorhoofd (en grote onrust; < door tocht en beweging). Lancinerende pijnen (steken) in het hoofd, vooral in de slapen (voornamelijk rechts van binnen naar buiten; < 's nachts, door bewegen van de ogen, door praten en schrijven). Kloppende hoofdpijn, gewoonlijk door congestie van bloed naar het hoofd (pulserend en bonzend, het hevigst in voorhoofd en kruin, met rillerigheid). Congestie naar het hoofd, met roodheid van het gelaat. Pijnlijke schokken in het hoofd. Bewegingen en kringelingen in het hoofd, alsof alles erin levend was. Schudden en trillen in de hersenen bij elke stap (dreunend en schokkend gevoel bij hard stappen of de voet ergens tegenaan stoten). De hoofdpijnen zijn < vooral door geestelijke inspanning, praten, bukken, geluid, schokken, licht en koude lucht, en > in een warme kamer; door het hoofd warm in te wikkelen; door het hoofd strak te verbinden. Na de pijnen in het hoofd troebel zicht. Pijnlijke gevoeligheid van de buitenkant van het hoofd voor de geringste aanraking. Overvloedige transpiratie van het hoofd 's avonds, bij het inslapen (dit lijkt op Calc. carb., maar bij Sil. loopt de transpiratie lager door in de nek en heeft zij de neiging kwalijk te ruiken). Branden in het hoofd met pulsatie en transpiratie van het hoofd; < 's nachts, door geestelijke inspanning en praten; > door het hoofd warm in te wikkelen. Branden en jeuk, vooral achter op het hoofd; < door krabben, dat branden en rauwheid veroorzaakt; < bij het uitkleden 's avonds en wanneer men warm wordt in bed. Scheurende pijn in de hoofdhuid < 's nachts en door druk. Overvloedige, zuur ruikende transpiratie alleen op het hoofd ('s avonds), met grote gevoeligheid van de hoofdhuid, bleek gelaat en vermagering. Neiging om gemakkelijk kou op het hoofd te vatten, dat onmogelijk ontbloot kan worden. Knolvormige verhevenheden op de hoofdhuid. Eruptie achter op het hoofd en achter de oren droog, kwalijk riekend, korstig, brandend jeukend; bij krabben branderig gevoel, meer rauw, en pusafscheiding. Jeukende pustels en bolvormige zwellingen op de behaarde hoofdhuid en in de nek; zeer gevoelig voor druk, aanraking en wanneer men erop ligt; > door warm inwikkelen. Gevoeligheid van de hoofdhuid voor druk (van een hoed) en voor contact; < 's avonds en bij liggen op de pijnlijke zijde; branden na krabben. Open fontanellen; hoofd te groot en de rest van het lichaam vermagerd, met bleke waskleur van het gezicht; heet, gezwollen abdomen en stinkende ontlasting. Hevige jeuk van de hoofdhuid. Vochtige dauwworm, die jeukt. Uitvallen van het haar.

3. Ogen

Pijn in de ogen 's morgens, alsof ontstaan door grote droogte of door de aanwezigheid van zand. Druk en schrijnen in ogen en oogleden. Scheurende, schietende pijnen in de ogen bij het dichtdrukken ervan. Schietende pijnen die schijnen uit te gaan door de ogen. Jeuk, schrijnen en branden in de ogen. Roodheid van de ogen, met schrijnende pijn in de ooghoeken. Ontsteking van de ogen. Aandoeningen die verschijnen in de ooghoeken, in de streek van de traankanalen. Zwelling van de traanklier. Traanfistel. Tranenvloed, vooral in de open lucht. Samenplakken van de oogleden 's nachts. Fungus haematodes en zweren van het hoornvlies. Hoornvlies dik, ruw, wratachtig, alsof het een massa hypertrofisch weefsel was, dat afschilferde en een helder hoornvlies achterliet. Vlekken en littekens in het hoornvlies. Zwakte; hitte; trillen van de ogen. Krampachtig sluiten van het ooglid. Presbyopie. De letters lijken verward bij het lezen. Voorwerpen schijnen bleek bij het lezen. Verward zien, alsof door een grijsachtige sluier gekeken wordt. Zwartheid voor de ogen na hoofdpijn. Ogenblikkelijke aanvallen van plotselinge blindheid. Vertroebeling van de ooglens. Troebel zien, als bij amaurose. Vonken en zwarte vlekken voor het gezicht. Fotofobie en verblinding bij helder daglicht. Ingekapselde tumoren van de oogleden verdwijnen na Sil. 200 (Bradshaw).

4. Oren

Oorpijn, met trekkende pijn. Borend en bonzend in de oren. Schietende pijnen in de oren, van binnen naar buiten. Jeuk in de oren (vooral bij het slikken). Ontsteking en lopen van de randen van de oren. Korsten achter de oren. Zwelling van het uitwendige oor, met afscheiding (van pus) uit het oor, gepaard gaand met een soort gefluit. Overvloedige ophoping van vochtig (zeer dun) cerumen. Otorroe met grote gevoeligheid voor koude lucht. Overmatige gevoeligheid voor geluid. Verstopping van de oren, die soms verdwijnt bij het snuiten van de neus, of anders met een luide knal. Slechthorendheid, soms zonder geruis in de oren, of anders uitsluitend voor de menselijke stem. Slechthorendheid, < bij volle maan. Verlamde gehoorzenuwen. Getinkel, geklok en geluid als het fladderen van een vogel in de oren. Suizen en zingen in de oren. Caries van het mastoideusuitsteeksel. Zwelling en verharding van de parotiden.

5. Neus

Neusbeen pijnlijk bij aanraking. Rauw gevoel alsof geslagen in de neusbeenderen. Knaagpijnen (en zweren) in het bovenste deel van de neus, met zwaarte bij bukken en overmatige gevoeligheid voor contact en druk. Pulserende pijn, als door ulceratie in de neus, uitbreidend naar het hoofd. Trekken in de neuswortel en het rechter jukbeen. Ontsteking in de neusgaten. Jeuk in de neus. Wellustige jeuk rond de neus, 's avonds. Jeuk en roodheid van de neus (aan de punt), die bedekt is met schurftige blaasjes. Ruwe, pijnlijke plekjes onder het neustussenschot, met stekende pijn bij aanraking. Furunkels op de neus. Korsten, puistjes en zweren in de neus. Neus inwendig droog, pijnlijk, ontveld, met korsten bedekt. Neusbloeding. Anosmie. Veelvuldig, hevig, vergeefs, afgebroken niezen. Te frequent, overmatig niezen. Hardnekkige verstopping van de neus, soms ontstaan door (verhard) slijm. Hinderlijke (pijnlijke) droogte van de neus, soms 's nachts. Droge coryza. Aanhoudende coryza. Veelvuldige waterige neusloop; of die een hardnekkige neusverstopping opheft. Afwisselend waterige en droge coryza. Scherp, bijtend slijm in de neus.

6. Gelaat

Bleke, aardkleurige gelaatskleur. Witte vlekken op de wangen, van tijd tot tijd. Rode, brandende vlekken op wangen en neus, vooral na een maaltijd. Hitte in het gelaat. Schietende pijnen in de gelaatsbeenderen. Jeuk in de bakkebaarden. Furunkel op de wang. Kloven en rhagaden in de huid van het gelaat. Scirrheuze verharding in het gelaat en de bovenlip. Zwelling van de lippen. Ulceratie van de mondhoeken. Schurftige eruptie op de lippen, met schrijnende pijn. Zweren op het rode deel van de onderlip. Furunkels op de kin. Herpes op de kin. Kramp in het kaakgewricht. De kaak is krampachtig gesloten (kaakklem). Nachtelijke schietende en trekkende pijnen in de onderkaak. Zwelling en caries in de beenderen van de onderkaak. Zwelling van de submandibulaire speekselklieren, met pijn bij aanraking, of ook met verharding.

7. Tanden

Kiespijn door warm voedsel, of door het inlaten van koude lucht in de mond. Trekkende, rukkende en scheurende pijnen in tanden en wangen, < 's nachts, of alleen tijdens het eten. Kiespijn 's nachts, gewoonlijk lancinerend, die de slaap verstoort, < door koude of warme dingen. Kiespijn, met zwelling van bot of periost van de kaak, en algemene hitte 's nachts, die de slaap verhindert. Graven en boren in de tanden. Dofheid van de tanden. Tanden worden los en voelen verlengd aan. Pijnlijke ontsteking, zwelling, ontvelling en gemakkelijk bloeden van het tandvlees. Tandvleesabcessen. Tandvlees pijnlijk gevoelig bij het nemen van koud water in de mond.

8. Mond

Droogte van de mond. Foetide adem, vooral 's morgens. Stomacace. Voortdurend slijm in de mond. Gevoel alsof er een haar op het voorste deel van de tong ligt. Ontvelling van de tong. Eenzijdige zwelling van de tong. Zweer aan de rechter rand van de tong die erin vreet en veel pus afscheidt (carcinoom). Zweer op het gehemelte. Tong beslagen met bruinachtig slijm.

9. Keel

Keelpijn, met ophoping van slijm in de keel. Ernstige tonsillitis (' Sil. 12x trit. is specifiek.' . Bayes). Pijn als van ontvelling en prikken als van spelden (steken) in de keel, tijdens de slikbeweging (keelabces). Zwelling van de huig. Zwelling van het gehemelte. Moeilijk slikken, alsof door verlamming van de slokdarm. Verlamming van het zachte gehemelte. Neiging dat voedsel tijdens het slikken in de neusholten opstijgt. Voedsel wordt door de neus uitgeworpen.

10. Eetlust

Grote eetlust; verlangen naar bier en warm voedsel; onmiddellijk na het eten keerden eetlust en dorst terug. Vraatzuchtige honger zodat het moeilijk was in slaap te vallen. Vraatzuchtige honger voor het avondeten, met volledig verlies van eetlust en beven van alle ledematen, gevolgd door rillerigheid en koudheid over het hele lichaam, met hitte op de borst. Vraatzuchtige honger: 's morgens; 's avonds; met waterverzameling in de mond. Is zeer hongerig; eet als gewoonlijk, en klaagt dan dat alles hoog in de keel lijkt te zitten. Verlies van smaak. Bittere smaak in de mond, ook 's morgens. Zure smaak na het eten. Zure, rotte smaak, of alsof er bloed of slijm in de mond was. Hevige dorst, soms met anorexie. Afkeer van alle voedsel, vooral van gekookte en warme dingen, met verlangen uitsluitend naar koude, rauwe dingen. Afkeer van gekookt voedsel. Walging van dierlijk voedsel, dat onverteerbaar blijkt. Afkeer van een kind voor de moedermelk, met braken na het zuigen. Na een maaltijd sterke neiging tot slapen, pyrosis, zuurheid in de mond, zuur opboeren, volheid in maag of abdomen, of anders (vaak opeenvolgend) pijn in de maag, waterbrash, braken, koortsig beven, congestie in het hoofd, hitte in de wangen.

11. Maag

Opboeringen met smaak van voedsel, soms na elke maaltijd. Zuur opboeren. Warm opstijgen van de maag naar de keel. Pyrosis. Hik: voor en na het eten; soms 's avonds, in bed. Misselijkheid, elke ochtend, met pijn in hoofd en ogen, bij het draaien van de ogen, of anders gevolgd door braken van bitter water. Voortdurende misselijkheid en braken; < 's morgens. Constante misselijkheid en braken, zelfs 's nachts. Waterbrash, soms met huiveren. Water smaakt slecht; braken telkens wanneer gedronken wordt. Braken van voedsel, zelfs 's nachts. Druk in de maag, soms na elke maaltijd, of bij snel drinken. Pijnlijke gevoeligheid van de maagkuil bij druk. Zwaarte in de maag. Samendrukkend gevoel in de maagkuil, alsof door klauwen, soms na een maaltijd. Branderig gevoel in de maagstreek.

12. Abdomen

Zwelling en verharding van de leverstreek. Ontsteking en verharding van de lever. Pijn als door ulceratie in de leverstreek, met kloppen; de pijnen zijn < door aanraking, door lopen (of door liggen op de rechter zijde, of door ademhalen). Schietende pijnen in de hypochondrieen, vooral aan de linker zijde. Pijn in het abdomen; koliek bij kinderen door wormen. Koliek, waarbij de handen geel worden en de nagels blauw. Zeurende (drukkende) pijn van het abdomen, vooral na een maaltijd. Abdomen hard, gespannen, heet (ook bij kinderen) en soms pijnlijk bij aanraking. Vergroting van het abdomen. Koliek door constipatie. Snijdende of knijpende pijn in het abdomen, met of zonder diarree. Branderig gevoel in het abdomen. De pijnen in het abdomen zijn > door het aanleggen van warm linnen. Pijnlijke liesbreuk. Ontsteking en zwelling van de liesklieren (zo groot als erwten, pijnlijk bij aanraking). Beknelling van flatus. Borrelen en rommelen in het abdomen, vooral bij bewegen van het lichaam. Moeilijke afgang van flatus. Zeer kwalijk riekende winden.

13. Ontlasting en anus

Constipatie, en trage, harde, moeilijke, knoestige faeces (bestaande uit lichtgekleurde klompen). Harde faeces, met veelvuldige tenesmus. Constipatie waarbij de ontlasting met grote moeite naar beneden komt, een klein eind door de anus komt en dan terugglijdt voordat zij geloosd kan worden; belemmerde ontlasting; stinkende flatus. Zelfs zachte ontlasting wordt met veel moeite uitgedreven. Ontlasting blijft lang in het rectum. Ontlasting als pus; met aarsmaden; met lintwormen. Faeces met de consistentie van brei, verscheidene keren per dag. Diarree (ontlasting afschuwelijk kwalijk riekend) met koliek. Roodachtige faeces, of met bloederig slijm. Veelvuldige afscheiding van stinkend serum, met lijklucht. Snijdende en stekende pijn in het rectum. Branden of steken in het rectum tijdens de ontlasting. Schietende pijnen en jeuk in de anus en in het rectum, ook tijdens de ontlasting. Branden in de anus, vooral na droge, harde ontlasting. Vernauwing in de anus tijdens de ontlasting. Voortdurende maar vergeefse aandrang tot ontlasting. Pijnlijke aambeien puilen tijdens de ontlasting naar buiten.

14. Urinewegen

Urinaire tenesmus. Aanhoudende drang om te urineren, met geringe lozing (ook 's nachts). Strangurie. Frequente (onwillekeurige) lozing van urine, ook 's nachts (met hinder door prikkelbare sfincter). Bedplassen ('s nachts). Rood zand, of geel, gruisachtig bezinksel in de urine. Strictuur van de urethra.

15. Mannelijke geslachtsorganen

Jeuk en rode vlekken op de glans. Ontvelling, jeuk en roodheid van de voorhuid. Zwelling van de voorhuid, die bedekt is met jeukende en vochtige puistjes. Oedemateuze zwelling van het scrotum. Transpiratie en jeuk van het scrotum. Jeuk en vochtige plekken op het scrotum. Afwezigheid van geslachtsdrift, met zwakte van de genitale functies; of anders buitensporige opwinding van de geslachtsdrift, met talrijke wellustige ideeen en sterke en frequente erecties. Vloed van prostaatvocht tijdens het urineren; en bij het lozen van (harde) ontlasting. Na coitus pijn in de ledematen, als van vermoeidheid, of gevoel van verlamming aan een zijde van het hoofd.

16. Vrouwelijke geslachtsorganen

Menstruatie te vroeg en te gering, of anders te overvloedig. Toegenomen menstruatie, met aanvallen van ijzige koudheid over het hele lichaam. Onderdrukking van de menstruatie. Bloedverlies voor de juiste tijd; menstruatie te laat; langdurig; bloed scherp. Metrorragie. Diarree voor de menstruatie. Tijdens de menstruatie pijnen in het abdomen, bleke aanblik van voorwerpen, of branderig gevoel en ontvelling in de vulva. Jeuk in de vulva. Drukkend-neerwaarts gevoel in de vagina. Jeuk, branden en rauwheid van de schaamdelen; tijdens de menstruatie. Bloedafscheiding uit de uterus tijdens het zogen. Abortus. Leukorroe die vloeit tijdens het urineren, of na de menstruatie. Leukorroe als melk, met tussenpozen stromend en voorafgegaan door grijpen in de navelstreek. Scherpe, bijtende leukorroe. Ontsteking van de tepels. Schietend brandende pijn in de linker tepel. Stekende pijn in de linker borst. Pijnlijke steken achter de linker borst, met rillerigheid, de hele nacht. Ettering van de mammae. Abces in de borst, ook met fistuleuze zweren; tepel ulcereert. Verhardingen in de borst. Rechter borst hard, pijnlijk en gezwollen ter hoogte van de tepel, met gevoel alsof zij 'aan het verzamelen' is.

17. Ademhalingsorganen

Heesheid, met ruwheid en ontvelling in het strottenhoofd. Hoest door koude dranken, of door zelfs maar een ogenblik te spreken. Schuddende hoest, opgewekt door verstikkende kieteling in de keelholte. Hoest en keelpijn, met ophoesten van kleine korreltjes als hagel, die, wanneer zij opengebroken worden, kwalijk ruiken (zoals bij Phosphor., behalve dat dit laatste middel een heet gevoel in de keel heeft. H. N. G.). Vermoeiende hoest, dag en nacht, < door beweging, met schaars slijmophoesten. Nachtelijke verstikkende hoest. Krampachtige hoest. Holle, krampachtige, verstikkende hoest door kieteling in de keelholte, met alleen overdag ophoesten van overvloedige geelgroene pus, of van taai, melkachtig, scherp slijm, soms van bleek, schuimig bloed, meestal met vettige smaak en kwalijke geur. Beurse pijn in de borst bij hoesten. Droge hoest, met pijn in de borst als van ontvelling. Hoest, met braken van slijm. Overvloedig ophoesten van doorzichtig slijm bij het hoesten. Hoest met expectoratie overdag, zonder expectoratie 's nachts. Ophoesten van pus bij hoesten. Ophoesten van (bleek, schuimig) bloed, met diepe, holle hoest. Belemmerde ademhaling bij liggen op de rug, of anders bij bukken, lopen of hoesten. Diepe, zuchtende ademhaling. Kortademigheid bij lichte handarbeid, of bij snel lopen, soms met dyspnoe in rust. Hijgende ademhaling bij snel lopen.

18. Borst

Beklemming op de borst, als door vernauwing van de keel. Zeurende pijn in de borst, soms alleen bij hoesten of niezen. Schietende en prikkende pijnen in de borst en zijde, soms dwars over de rug. Kloppen in het borstbeen. Phthisis pulmonalis. Beurse pijn in de borst bij ademhalen of hoesten.

19. Hart en pols

Hartkloppingen en bonzen door het hele lichaam tijdens het zitten. Hevige hartkloppingen bij elke beweging. Onvoelbare pols.

20. Nek en rug

Etterende zweer in de nek. Stijfheid van de nek; met hoofdpijn. Zwelling van de klieren in de nek, in de hals en onder de oksels (met ettering), soms met verharding. Puistjes en furunkels in de nek. Ettering van de okselklieren. Caries van het sleutelbeen. Steken tussen de heupen. Stuitbeen pijnlijk als na een lange rit in een rijtuig. Stekende pijn in het os coccygis bij opstaan; pijnlijk bij druk. Schilferige verhevenheid op het stuitbeen, boven de bilspleet. Pijn in de lendenen, of de delen nu worden aangeraakt of niet. Krampachtig trekken in de lendenen, waardoor opstaan onmogelijk wordt en de patient gedwongen wordt te blijven liggen. Ontstekingsabces in de lendenstreek (op de psoasspier). Zwakte en paralytische stijfheid in rug, lendenen en nek. Scheurende en schietende pijnen in de rug. Schietende pijnen in de lendenen bij zitten of liggen. Branden in de rug bij het lopen in de open lucht en warm worden. Zeurende, schietende, brandende en kloppende pijn in de lumbosacrale streek. Zwelling en vervorming van de wervelkolom (verkromming van de wervels). Beurse pijn tussen de schouderbladen.

21. Ledematen

Trekkende, scheurende en schietende pijnen in de ledematen (armen en benen). Nachtelijke schietende pijnen in alle gewrichten. Neiging van de ledematen om gevoelloos te worden (gemakkelijk in te slapen). Pijn in de ledematen alsof zij gebroken waren, en paralytische zwakte, vooral 's avonds. Krampen in armen en benen. IJskoude benen en voeten. Schokken in de ledematen, dag en nacht. Zwakte van de gewrichten (zij geven mee bij het lopen). Moeheid en beven in de ledematen, vooral 's morgens. Rauwheid en mankheid in de ledematen. Nagels vuilgeel, verminkt en broos. Zweren rond de nagels.

22. Bovenste ledematen

Trekkende en scheurende pijnen in armen, handen en vingers. Zwaarte en paralytische zwakte van de armen, die bij de geringste inspanning beven. Gevoelloosheid van de onderarmen wanneer de patient erop ligt of de ellebogen op een tafel steunt. Kloppingen en rukken van de armspieren. Onrust en beven van de rechter arm. Huid gekloofd op armen en handen. Furunkels en wratten op de armen. Paralytische zwakte van de onderarm; alles valt uit de handen. Verharding van het cellulaire weefsel van de onderarm. Nachtelijke schietende pijnen in de pols, uitstralend tot aan de top van de arm. Scheurende pijn in polsen en handpalm. Krampachtige pijn in de handen en vingers. Gevoelloosheid van de handen 's nachts. Paralytische zwakte van de handen. Tonische kramp van de hand bij het schrijven. Krampachtige pijn en mankheid van de hand na lichte inspanning. Overvloedig zweet van de handen. Ganglion op de handrug. Zweer op de handrug. Tinteling in de vingers. Branderig gevoel in de vingertoppen. Pijn in de vingergewrichten bij druk. Zwakte, stijfheid en gebrek aan soepelheid in de vingers. Samentrekking van de buigpezen; zeer pijnlijk bij het bewegen van de vingers. Ganglion. (Ganglion aan de pols. R. T. C.). Knaaglijke, etterende blaasjes, met branden in de vingers. Scheurende, trekkende, stekende pijn en gevoelloosheid in de vingers, alsof zij etteren, of alsof zich een panaritium zou vormen. Gevoelloos gevoel van een vinger, alsof die vergroot was en het bot gezwollen. Pijn als van een splinter in het buigvlak van een vinger. Panaritium, vooral met vegetaties, huilen en ondraaglijke pijnen dag en nacht. Vingernagels ruw en geel. Nagels vuilgrijs alsof verrot; poederen bij het knippen en splijten in lagen. Witte vlekken op de nagels. Droogheid in de vingertoppen; namiddag.

23. Onderste ledematen

Scheurende, stekende pijnen in heupen en dijen. Etterende pijnen in het heupgewricht. Trekken, scheuren en spanning in de benen (uitstrekkend van de heupen tot de voeten). Gemakkelijk inslapen van de ledematen, vooral bij zitten. Paralytische zwakte van de benen. Druk, scheuren en schietende pijnen in de dijspieren. Jeukende zweren aan dijen en enkels. Furunkels op dijen en kuiten. Verweking en ulceratie van het dijbeen. Scheurende pijn in de knie (bij zitten, > door beweging). Knie pijnlijk alsof te strak gebonden. Ontstekingszwelling van de knie. Fungus in de knie. Trekkende pijn in de benen. Koudheid van de benen. Zwelling van de benen tot aan de voeten. Zweer aan het been, met stekende, brandende pijnen. Zweren aan de benen, vaak met ziekelijke gelaatskleur. Rode, schrijnende plek op het scheenbeen. Caries van de tibia. Zweren op het onderbeen, op het scheenbeen. Spanning van de kuiten, als door samentrekking. Krampen in de kuiten, vooral 's avonds, na lichamelijke arbeid. Verdoofd gevoel van de kuiten. Jeukende miliarise eruptie op de kuiten. Scheurende en schietende pijnen in kuiten, hielen en tenen. Lancinerende pijn in de enkel bij treden of steunen op de voet. Gevoelloosheid van de voeten 's avonds. Koudheid van de voeten, soms na onderdrukte transpiratie van de voeten. Branderig gevoel in voeten en voetzolen, vooral 's avonds en 's nachts. Zwelling van de voeten, gewoonlijk 's morgens. Kwalijke geur van de voeten (ondraaglijk lijkachtig; zonder zweet, elke avond). Overvloedige, kwalijk riekende transpiratie van de voeten, met ontvelling (en blaren) tussen de tenen. Onderdrukte transpiratie van de voeten. Harde en pijnlijke eeltknobbels op de voetzolen. Wellustig kietelen in de voetzolen dat, wanneer men de plek een beetje gekrabd heeft, bijna krankzinnig maakt. Kramp in de voetzolen. Knaaglijke blaasjes aan de hiel. Bijtende zweer aan de hiel, met jeuk. Stijfheid van de tenen. Voortdurend, hevig boren of scheuren in de grote tenen. Ulceratie van de grote teen, met schietende pijn. Knobbel aan de grote teen. Jeukende, etterende korsten op de tenen. Ingroeiende teennagel; kwalijk riekende afscheiding. Likdoorns aan de voeten, met schietende pijnen; ook onder de teennagels.

24. Algemeen

[Aandoeningen in het algemeen van welke aard ook, vooral voorkomend bij lichtblonde mensen; aan de rechter zijde; linker zijde; rug; linker onderste extremiteit; hoofdhuid; uitwendig hoofd achter de oren; uitwendig oppervlak van de liesring; liesring en lang bestaande hernia; vingernagels, vooral als er witte vlekken op de nagels zijn. Grijpende pijnen met een gevoel van afscheuren, van wringen of kronkelen; of alsof iets werd weggerukt. Gevoel van zwaarte in de inwendige delen. Rukkende pijnen. Debiliteit; zwakte van de gewrichten, vooral van de enkelgewrichten. < 's Nachts, vooral in het latere deel, in de open lucht; bij kinderen van het Silica-temperament die ziekelijk zijn, wormen hebben, enz.; wanneer afzonderlijke delen koud zijn; door kou vatten aan de voeten; met overvloedige speekselvloed; door ontbloten; door tocht; na het eten; na het drinken; liggen op de pijnlijke zijde; strak naar een voorwerp kijken; door wijn; door uitwendige druk; door lezen; zwaar op de grond of vloer stappen; bij steenbewerkers; wanneer het weer verandert; door natte voeten te krijgen; door wormklachten van welke aard ook; bij het schrijven; door het ontbloten van het hoofd. > Door het hoofd in te wikkelen; in de kamer. H. N. G.]. Neiging tot verrekking van de rug. Zwelling en verharding van klieren, meestal zonder pijn, alleen soms met hinderlijke jeuk. Zure, bijtende afscheidingen. Beven bij het schrijven. Epileptische aanvallen; opschrikken, verdraaiing van de ogen, trekkingen van de lippen, uitgestoken tong, uitrekken en verdraaiing van hoofd en ledematen. Verscheidene aandoeningen en pijnen zijn <, en doen zich voor, 's nachts en 's avonds, ook tijdens beweging.

< bij nieuwe of volle maan. Pijnen bij weersverandering. Gevoel alsof messen in haar werden gestoken. Onrust in het hele lichaam na lang zitten. Bloedopwelling en dorst na het drinken van wijn. Overmatige vermagering. Kinderen leren laat lopen. Slordige, onbeholpen gang. Algemene inertie en grote zenuwzwakte. Syncope bij liggen op de zijde. Grote vermoeidheid, moeheid en slaperigheid bij het naderen van een storm. Sterke neiging tot rillerigheid, zelfs door alleen al het ontbloten van de voeten. Gebrek aan vitale warmte zelfs bij lichaamsbeweging.

25. Huid

Pijnlijke gevoeligheid van de huid. Jeuk over het hele lichaam, kruipend of schietend van aard (< 's nachts). Eruptie als waterpokken over het hele lichaam. Knolvormige vlekken op de huid, lichtrood van kleur. Lymfatische zwellingen en abcessen, zelfs met fistuleuze zweren. Opzetting, verharding en ettering van de klieren. Pijnloze zwelling van de klieren; zij veroorzaken alleen zeer onaangename jeuk. Beenderen zeer gevoelig en pijnlijk bij aanraking; verbuiging en caries van de beenderen. Abcessen die niet openbreken maar onder de huid voortwoekeren; exanthemen in het algemeen die corroderen en zich uitbreiden; oud en moeilijk te genezen; die jeuken; fungus articularis; haematodes; sponsachtige uitwassen. Tetteruitslag in het algemeen; corroderend en zich uitbreidend. Zweren in het algemeen, overal waar pus uit enig deel van het lichaam wordt afgescheiden, of wanneer deze in de urine verschijnt; zweren brandend, korstig; traag; met rondom roodheid; zeer verheven, harde zweren; met wild vlees; met corroderende pus. Zweren van allerlei aard, ook na misbruik van Mercury. Zweren ruiken zeer kwalijk. Kankerzweren. Ontsteking, verweking (zwelling) en ulceratie van beenderen. Scirrheuze verhardingen. Zweren, die fistuleus, rottig; phagedenisch, fungueus, enz. zijn, met vegetaties, of stinkende en corroderende ichor. Fistuleuze openingen; delen eromheen hard, gezwollen, blauwrood. Goedaardige en kwaadaardige etteringen, vooral in membraneuze delen. Ongezonde huid; elk letsel neigt tot ulceratie. Kleine wonden genezen moeilijk en etteren overvloedig. Pijnlijke pustuleuze erupties; eindigend in etterende zweren; op voorhoofd, achterhoofd, borstbeen en wervelkolom. Zeurende, jeukende, schrijnende en borend-schietende pijnen in de zweren. Furunkels. Karbunkels van kwaadaardige aard. Ganglia. Wratten. Panaritium.

26. Slaap

Grote slaperigheid na het eten. Slaperigheid de hele dag. Overmatige slaperigheid zonder te kunnen inslapen. Veelvuldig geeuwen. Vroeg slapen in de avond. Vertraagd inslapen. Slaap 's nachts te licht, als dutten. Na ontwaken niet opnieuw kunnen inslapen. Slapeloosheid in het algemeen, vooral na middernacht. Praten in de slaap. Slapeloos na 2 uur 's nachts, met stormloop van gedachten. Slapeloosheid, vooral veroorzaakt door bloedopwelling, hitte in het hoofd en grote gedachtenstroom. Vreselijke visioenen 's nachts en veel angstige en fantastische dromen, met tranen, praten, kreten en vaak opschrikken bij het ontwaken. Ontwaakt met erecties en aandrang om te urineren. Schokken van het lichaam tijdens de slaap. Wellustige dromen (met emissies). Snurken in de slaap. Nachtmerrie. Slaapwandelen (staat slapend op, loopt rond en gaat weer liggen). Dromen over rovers, moordenaars, honden, reizen, spoken, enz. 's Nachts congestie van bloed naar het hoofd, met pulserende pijnen en kloppen in de hersenen, pijn in de maag, misselijkheid en braken, of schietende pijnen in alle gewrichten, droogte van de neus en vele andere klachten.

27. Koorts

Pols: klein, hard en snel, vaak onregelmatig en dan traag. De circulatie raakt gemakkelijk geagiteerd. Hevige koude, 's avonds, in bed, < door zich te ontbloten. Voortdurende inwendige koude, met gebrek aan lichaamswarmte. Koude in de avond met gevoel alsof koude lucht rond de taille blies; niet > door inwikkelen; gevolgd door hevige koorts en transpiratie. Voortdurende rillerigheid, zelfs bij beweging of in een warme kamer. Buitengewoon kouwelijke gesteldheid, en huiveren, met veelvuldige rillingen, ook bij de geringste beweging. Hitte overheerst. Overdag vaak korte hitteopwellingen, vooral in het gezicht. Hevige algemene hitte, met hevige dorst in de namiddag, avond en de hele nacht. Periodiek terugkerende hitte overdag, zonder voorafgaande koude en gevolgd door lichte transpiratie. Transpiratie bij geringe inspanning; het meest overvloedig op hoofd en gelaat. Transpiratie alleen op het hoofd. Koorts, met hevige hitte in het hoofd; namiddagen; 's nachts, met dorst en snakkende inademing. De transpiratie komt periodiek; is < om 11 uur 's avonds, 6 uur 's morgens, of van 3 tot 5 uur 's middags. Wisselkoorts, waarbij de hitte overheerst. Veelvuldige hitte, soms voorbijgaand. Koorts, met overmatige hitte, gewoonlijk zonder rillen, en met weinig transpiratie, gewoonlijk van 10 uur 's morgens tot 8 uur 's avonds. Transpiratie tijdens een matige wandeling. Overvloedige transpiratie 's nachts, soms met (kwalijke of) zure geur. Uitputtende transpiratie in de ochtend.

Verken het volledige Similia-platform

Toegang tot 13 klassieke materia medica-boeken, 7 klassieke repertoria, AI-semantische zoekfunctie en basis-casusbeheer — gratis.

Bekijk prijzen