Baryta Muriatica
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Bariumchloride. BaCl2 2H2O.
Beproefd door Hahnemann, en door Stapf gepubliceerd in 1824, in de Archives met de symptomen van de acetica. In 1836 voor het eerst afzonderlijk gepubliceerd in het Allentown Correspondenz-Blatt, en in de Engelse vertaling van Jahr, pagina 84, 1838; later door Jahr in zijn Duitse Handbücher, en door Noak, Handbuch, deel i, pagina 202, 1843; het laatst in Allen's Encyclopædia, deel 2, pagina 65, 1875.
GEMOED [1]
De omgeving om hem heen lijkt veranderd.
Kinderen zijn onoplettend bij het studeren, zitten in hoeken en geven verwarde antwoorden.
Idiotie.
Bij elke vorm van manie, zodra de geslachtsdrift toeneemt.
Kinderen hebben geen zin om te spelen.
Neerslachtigheid en angst voor mensen.
Gevoel van beklemmende angst, gepaard gaand met de waan dat hij op zijn knieën loopt, zonder benen.
Grote angst, met druk in de maag, misselijkheid en kokhalzen; moet dubbelbuigen.
(OBS :) Aanvallen van angst en ademnood, zodat hij over de grond rolt.
Ziet eruit als een epilepticus, bij volledig bewustzijn. θ Verharding van de pancreas.
Tijdens een angstaanval zegt zij met zwakke, hese stem dat zij moet sterven; t.
Wanhopig en angstig.
SENSORIUM [2]
Schrikt gemakkelijk.
Duizeligheid; alles draait rond.
Hoofd zo zwaar dat hij het niet omhoog kan houden.
HOOFD, INWENDIG [3]
Hoofdpijn, met angina.
Hoofdpijn met braken.
HOOFD, UITWENDIG [4]
Tinea capitis die zich uitstrekt tot de zijkanten en het achterste deel van de nek.
Tinea, met rijkelijke afscheiding van pus.
Jeukende eruptie op hoofdhuid en nek.
De gehele hoofdhuid bedekt met een dikke, stinkende korst. θ Scrofuleuze zweren.
ZICHT EN OGEN [5]
Schuwt licht, kind ligt de hele tijd op het gezicht. θ Scrofuleuze zweren.
Pupillen verwijd en onbeweeglijk.
Oogwit geïnjecteerd.
Oogbollen sterk ontstoken. θ Scrofuleuze zweren.
Ogen stijf, kan ze niet bewegen.
Oogleden aan beide ogen gezwollen en ontstoken. θ Scrofuleuze zweren.
Ophthalmia scrofulosa.
Staphyloma spurium bij een jongen, æt. 9, aan de binnenrand van de linker cornea.
Hernia tunicæ humoris aquei.
GEHOOR EN OREN [6]
Doof, met braken; hoofdpijn; branden in de maag en convulsies.
Oorpijn. θ Angina.
Oorpijn rechts; < liggen op de pijnlijke zijde; > slokjes koud water.
Catarre van de oren.
Afscheiding uit beide oren met een geur als van rotte kaas.
Otorrhoe na veelvuldige otitis.
Otorrhoe na scarlatina.
Rijkelijke purulente otorrhoe van vijf jaar bestaan.
Otorrhoe aan beide zijden, stinkende afscheiding. θ Klierzwelling.
Abces achter beide oren, met afscheiding van stinkende pus. θ Scrofuleuze zweren.
Parotis rechts gezwollen, met zwelling van submaxillaire en cervicale klieren.
Beide glandulae parotis, vooral rechts, zwellen op na scarlatina.
Parotis gezwollen, hard, niet erg pijnlijk, maar zich uitstrekkend tot aan de rand van de onderkaak.
REUK EN NEUS [7]
Niezen in de slaap, vier- à vijfmaal vóór middernacht, zonder wakker te worden; een jongen.
Catarre van de neus.
Coryza met koortsige hitte.
Brede, rode nodulus aan de zijkant van de neuspunt; bijtende, kietelende rauwheid en fijne steken erin bij aanraking.
BOVENSTE GELAATSHELFT [8]
Rood gezicht, met koortsige hitte.
Spanning in het hele gelaat, met misselijkheid en diarree.
Trekkende pijn en krampachtige samentrekking van de gelaatsspieren.
ONDERSTE GELAATSHELFT [9]
Vergrote, verharde en pijnlijke submaxillaire klieren. θ Otorrhoe.
TANDEN EN TANDLEES [10]
Na fijne steken ontstaat een polsgewijs rukkende en kloppende tandpijn; < na middernacht; < na de slaap; wordt gedwongen rechtop in bed te zitten.
Losstaan van de tanden, met speekselvloed.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Bedorven smaak in de mond, zelfs voedsel smaakt bedorven; tong en mond droog.
Tong beslagen. θ Klierzwelling.
Tong bedekt met slijm.
MONDHOLTE [12]
Stank uit de mond, als na kwik.
Sterke speekselvloed. θ Angina.
Speeksel loopt bij elke aanval in grote hoeveelheden uit de mond. θ Verharding van de pancreas.
(Bij zieken :) Speekselvloed, met losstaan van de tanden, zwelling van speekselklieren en gehemelte, geur als bij mercurialisme.
Zwelling van de speekselklieren.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Gehemelte gezwollen. Zie 12.
Verlenging van de huig, met hyperemie en blennorroe. θ Angina tonsillaris.
Keel van binnen hyperemisch en blennorroïsch.
Spataderen in de keel.
Keelholte en oesofagus ontstoken; t.
Moeilijk slikken.
Catarre breidt zich uit over tonsillen, epiglottis, glottis, tot in de buizen. θ Angina tonsillaris.
Angina tonsillaris, met ettervorming, na elke verkoudheid, met variola of varioloïde.
Ernstige pijn aan de rechterzijde van keel en oor; speeksel liep in grote hoeveelheden uit de mond; fauces, vooral rechts, diep rood van kleur; tonsillen slechts weinig gezwollen. θ Angina.
Bij een meisje, beide tonsillen vergroot; afwisselend koude rillingen en hitte met algemene malaise, hoofdpijn, dorst enz.; pols 120; slikken pijnlijk aan de rechterzijde, uitstralend naar het oor; tonsil rood. θ Chronische hypertrofie van de tonsillen.
Neiging tot tonsillitis, met ettervorming telkens na kou vatten.
Chronische scrofuleuze vergroting en verharding van de tonsillen.
EETLUST, DORST. VERLANGEN, AFKEER [14]
Verhoogde eetlust.
Eetlust verminderd. θ Klierzwelling.
Verlangen naar droog tarwebrood.
Klierzwelling.
Veel dorst, met droge tong.
Dorst; afwisselend koude rillingen en koorts. θ Angina.
HIK, OPRISPINGEN, MISSELIJKHEID EN BRAKEN [16]
Misselijkheid en onpasselijkheid.
Kokhalzen.
Misselijkheid, met braken en hevige koliek. θ Hydrops.
Misselijkheid, kokhalzen; slijmerig, waterig braken; t.
Misselijkheid, braken, met wormen en koliek. θ Na scarlatina.
Hematemesis.
(Bij zieken :) Elke ochtend braken na het innemen.
Hevig braken en purgeren, met angst.
Gedurende zes uur braakt hij kleine hoeveelheden van een walgelijke substantie, die er slecht uitziet en slecht smaakt.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Overgevoeligheid van de maag.
Maag voelt zwaar aan; druk in de maag, vooral na het eten van vast voedsel.
Krampen in de maag.
Ernstige spijsverteringsstoornis.
Warm gevoel stijgt op naar borst en hoofd.
Ontsteking van de maag.
De fundus ontstoken en met verscheidene ecchymosen; t.
Het slijmvlies blauwrood, met rode vlekken in de spierlaag; t.
Uitwendige bekleding van de maag donkerbruin en ontstoken.
Onder de maag, links, een hardheid, waaruit aanvallen van ademnood ontstaan. θ Verharding van de pancreas.
Aanzienlijke hardheid in de maagstreek.
Cardia, pylorus en duodenum ontstoken, donkerrood, sterk gecongestioneerd; t.
HYPOCHONDRIËN [18]
Lever en milt vol dik zwart bloed; galblaas gevuld met bleekgele, waterige gal; t.
Zwelling van de lever.
BUIK EN LENDEN [19]
Koliek; brandende pijnen.
Pijn in de navelstreek; < in de ochtend; droge hoest; grote eetlust; tong met slijmbeslag. θ Ascariden.
Borborygmus.
Kwellend kloppen in een gezwel in de buik. θ Abdominaal aneurysma.
Buik sterk gezwollen. θ Scrofuleuze zweren.
Buik opgezet. θ Klierzwelling.
Zwelling en verharding van de buikklieren.
Zwelling van buik en onderste ledematen. θ Na scarlatina.
Buik opgezet en hard. θ Scrofulosis glandulosa.
Ecchymosen in colon; t.
Buiknet rood verkleurd; t.
Liesklieren gezwollen en pijnlijk.
Stinkende, ichoreuze zweren in de liesstreek.
(OBS :) Wormziekten.
ONTLASTING EN RECTUM [20]
Hardnekkige obstipatie.
Ontlasting bedekt met slijm.
Ontlasting met een geleiachtig aanzien, met bloed, geheel zonder pijn, lozingen om de 15 of 20 minuten. θ Dysenterie.
Bloederige, slijmerige ontlasting, zonder veel pijn, verscheidene malen per dag; kind. θ Dysenterie.
Chronische, pijnloze diarree, gele, slijmerige ontlasting; braken en uitputting.
Koliek en verscheidene stoelgangen; jongen, æt. 9.
Ontlasting groen en fijngehakt.
Dunne, waterige, zeer stinkende ontlasting. θ Scrofuleuze zweren.
Bloeding uit het darmkanaal.
Verlamming van de anussfincter.
Stoelgang alleen na klisteren, ontlasting wit en hard als stenen. θ Scrofuleuze klieren.
(Bij zieken :) Afgang van ascariden en slijm.
URINEWEGEN [21]
Cystitis.
Frequent urineren.
(Bij zieken :) Aanhoudende hevige drang om te urineren; soms onwillekeurig.
Urine gelig, met een zeer stinkende geur. θ Klierzwelling.
(Bij zieken :) Frequent urineren, witachtig bezinksel.
Urine gelig, met sterke stank. θ Scrofuleuze klieren.
MANNELIJKE GESLACHTSORGANEN [22]
Geslachtsdrift. Zie 1.
(Bij zieken :) Nachtelijke polluten.
Gonorroe en chronische urethrale afscheiding.
Hypertrofie van de testikel na onderdrukte gonorroe.
Testikels in omvang toegenomen, hard, met pijnlijke steken; sedert negen jaar.
Zwelling van testikels en scrotum, pijnloos. θ Na een kneuzing tijdens het rijden te paard.
Bubonen na onderdrukte gonorroe.
VROUWELIJKE GESLACHTSORGANEN [23]
Steriliteit.
Leukorroe.
Verharding, gezwel of atrofie van de ovaria.
Nymfomanie.
Samenknijpende pijnen in het bekken.
STEM EN STROTTENHOOFD. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Zwakke, hese stem.
ADEMHALING [26]
Aanvallen van angstige dyspnoe; rolt over de vloer, verscheidene aanvallen per dag, ook 's nachts. θ Epilepsie, bij volledig bewustzijn.
Dyspnoe en benauwdheid.
Moet rechtop zitten, hoofd voorovergebogen; slijm en speeksel lopen uit de mond, zonder hoest. θ Verharding van de pancreas.
HOEST [27]
Droge hoest.
Chronische hoest van scrofuleuze kinderen.
BORST, INWENDIG, EN LONGEN [28]
Inwendige hitte in de bovenborst.
Blennorroe van de longen bij scrofula.
Phthisis scrofulosa, met herpetische eruptie en verharde testikel.
HART, POLS EN CIRCULATIE [29]
Hartkloppingen.
Pols 120. θ Angina.
Abdominaal aneurysma.
NEK EN RUG [31]
Myelitis.
Beginnende struma; kind, æt. 6 maanden, met reutelende ademhaling.
De hele nek en keel vol harde klierzwellingen, zo groot als eieren.
Vergroting en verharding van cervicale klieren. θ Otorrhoe.
Submaxillaire en cervicale klieren gezwollen tot de grootte van duiveneieren, twee als kippeneieren, zeer hard en pijnlijk bij lichte druk. θ Zwelling van de parotis.
Twee cervicale klieren gezwollen en fluctuerend. θ Zwelling van de glandulae parotis.
Wervels 7 en 8 steken uit en vormen een bochel. θ Klierzwelling, scrofula.
Tinea van de hoofdhuid tot de nek.
BOVENSTE LEDEMATEN [32]
Pijnloos rukken in de armen, voornamelijk 's nachts.
Eruptie als gierstkorrels op de handen.
ONDERSTE LEDEMATEN [33]
Spanning in de dijen.
Vermagering van de dijen.
Bij knielen een hevige steek, gevolgd door een eigenaardige spanning in de rechter patella, waardoor lopen moeilijk wordt. θ Hemorragische extravasatie van de knie.
Spanning en toegenomen warmte in de knie. θ Zwelling van de knie.
Fijne steken in en om de gezwollen knie.
Een bolvormige zwelling op de punt van de rechterknie, snel toenemend maar zonder veel pijn. θ Hemorragische zwelling van de knie.
Een ronde, scherp begrensde zwelling, ter grootte van een ganzenei, donker van kleur en duidelijk fluctuerend, omgeven door blauwrode vlekken, niet verdwijnend bij druk, met een groengele halo. θ Hemorragische extravasatie.
Hemorragische extravasatie in de bursa patellae.
Na het onderdrukken van voetzweet. θ Tonsillitis.
Voeten gezwollen. θ Klierzwelling.
Krampen in de tenen.
LEDEMATEN IN HET ALGEMEEN [34]
Beven van de ledematen.
Krampachtige schokken van handen en voeten.
Verlamming van bovenste en onderste ledematen.
Zwelling van handen en voeten.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Liggen op de pijnlijke zijde: oorpijn erger.
Moet rechtop zitten, hoofd voorovergebogen: ademhaling >. θ Verharding van de pancreas.
Bij knielen: hevige steek in de rechter patella.
Noch beweging, noch druk is pijnlijk. θ Gonitis.
ZENUWEN [36]
Krampig beven en trekkingen.
Convulsies, gepaard gaand met schokken die het hele lichaam doen beven.
Periodieke aanvallen van convulsies, met overmatig woelen van de ledematen.
Zwaar gevoel en uitputting, moet gaan liggen.
Uitputting, kan nauwelijks een ledemaat bewegen.
Verlamming.
Verlamming van de linkerzijde, met afasie.
Algemene spierzwakte.
Algemene malaise. θ Angina.
Flauwtes.
SLAAP [37]
Niezen in de slaap zonder wakker te worden.
Na de slaap tandpijn erger.
TIJD [38]
Ochtend: pijn in de navelstreek erger.
Dag: aanvallen van dyspnoe; droge hitte.
Avond: koude rillingen, met dorst.
Nacht: polluten; dyspnoe; pijnloos rukken in de armen.
Vóór middernacht: niezen in de slaap.
Na middernacht: tandpijn.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
Slokjes koud water: oorpijn beter.
Aanvallen van angina tonsillaris in voorjaar en najaar.
KOORTS [40]
Koorts: dorst; verlies van eetlust; droge mond en tong; dysfagie; frequente, volle pols; rood gelaat; prostratie die gewoonlijk zeven dagen aanhoudt, af en toe gepaard gaand met catarre van oog, oor of neus, of met ontstekingsreactie van de huid.
Koude rillingen met dorst in de avond; verlies van eetlust en braken.
De hele dag droge hitte; prikkelbare pols; hoofd aangedaan.
Tijdens koorts, bij jongens toegenomen ettering van zweren en bij meisjes vergroting van gezwollen halsklieren.
Hitte, met coryza.
(Bij zieken :) De hele dag droge hitte; geprikkelde pols; hoofd aangedaan.
Verkleurend zweet.
Koud zweet.
Derdedaagse intermittens.
Koude rillingen afgewisseld met hitte, bij angina tonsillaris.
LOKALISATIE EN RICHTING [42]
Rechts: oorpijn; parotiden; pijn aan zijde van keel en oor; fauces aan die zijde diep rood van kleur; slikken pijnlijk aan die zijde; steek in patella; bolvormige zwelling op de punt van de knie.
Links: staphyloma aan de binnenrand van de cornea; onder de maag aan die zijde een hardheid waaruit aanvallen van ademnood ontstaan; verlamming van die zijde.
Van beneden naar boven: branden.
GEWAARWORDINGEN [43]
Steken: in nodulus op de neus; in de tanden; in de testikels; in de rechter patella.
Stekend gevoel: in en rond de knie.
Rukken: in de tanden; in de armen.
Trekkende pijn: in de gelaatsspieren.
Bijtend: in nodulus op de neus; in de huid.
Branden: in de maag.
Druk: in de maag.
Rauw gevoel: in nodulus op de neus.
Samenknijpende pijnen: in het bekken.
Krampen: in de maag; in de tenen.
Ongespecificeerde pijn: in de oren; in de rechterzijde van keel en oor; in de navelstreek.
Kloppen: tandpijn; in gezwel in de buik.
Spanning: in het gelaat; in de dij; in de rechter patella; in de knie.
Kietelen: in nodulus op de neus.
Warmte: stijgt naar borst en hoofd.
WEEFSELS [44]
Toegenomen prikkelbaarheid van de zenuwen.
Spataderen. θ Angina tonsillaris.
Aandoening van lymfevaten en klieren bij scrofula.
Hydrops na scarlatina.
Pijnlijke klierzwellingen en verhardingen bij scrofuleuze personen.
Adenitis.
Catarrele aandoeningen.
Bleek en vermagerd. θ Dysenterie.
Vermagering. θ Zwelling van cervicale klieren.
AANRAKING. PASSIEVE BEWEGING. VERWONDINGEN [45]
Druk: submaxillaire en cervicale klieren <; zonder effect op de gezwollen knie.
Zwelling van testikel en scrotum door kneuzing, veroorzaakt door paardrijden.
Aanraking: steken in de nodulus aan de zijkant van de neus.
HUID [46]
Bijtend gevoel in de huid.
Krampachtige samentrekking van de huid.
Huid niet rood, niet warmer dan gewoonlijk. θ Zwelling van de parotis.
Ontsteking van de huid.
Jeukende puistjes op hoofd, nek, buik en dijen.
Gelige, schilferige erupties.
Herpes op verschillende delen. θ Hypertrofie van de testikel.
Herpes favinosus over het hele lichaam, met uitzondering van het gezicht.
Tetter.
Scrofuleuze erupties.
Stinkende ichoreuze zweren in de liesstreek.
Gehele lichaam bedekt met zweren. θ Scrofula.
Klachten na scarlatina.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Scrofuleuze kinderen. Zie 13 , 27 , 31 .
Kind, æt. 18 maanden. θ Dysenterie na vochtige tetter.
Meisje, æt. 18 maanden. θ Scrofuleuze zweren.
Jongen, æt. 2, scrofuleus, vermagerd. θ Verharde cervicale klieren.
Jongen, æt. 4, drie weken na scarlatina. θ Zwelling van de parotis.
Blond, blauwogig meisje. θ Oorpijn.
Scrofuleus kind, æt. 10, sedert vijf jaar otorrhoe en klierzwellingen, genezen door twee weken lang dagelijks één dosis.
Meisje, æt. 39. θ Hemorragische extravasatie van de knie.
Man, æt. 50, sterke constitutie, geneigd tot catarrele aandoeningen en met grote neiging tot angina tonsillaris.
Vrouw, æt. 53, klein, zwak, slecht gevoed. θ Zwelling van de parotis.
Vrouw, æt. 65, nadat vijf maanden volstrekte rust en streng dieet nutteloos waren gebleken, 1/5 grein (ca. 13 mg) in gedestilleerd water, driemaal daags, gedurende verscheidene weken. θ Abdominaal aneurysma.
RELATIES [48]
Absint is een antidotum tegen het braken.
Nuttig na Arnic. bij bloedextravasaties.
Vergelijkbaar met Conium bij verhardingen van buikklieren.