Arsenicum Iodatum
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Jodide van arseen. AsI 3 .
In 1872 bracht H. Nankinwell, wonend aan de zeekust waar patiënten kwamen om door de lucht te verbeteren, verslag uit van genezingen bij gevallen van phthisis. In vrijwel alle gevallen werd dagelijks levertraan gegeven.
Door voorstanders van de lagere potenties ingevoerd, is het meestal in de derde decimale potentie gegeven en steeds herhaald.
GEMOED [1]
Studeren veroorzaakt hoofdpijn.
SENSORIUM [2]
Dufheid van het hoofd, met doffe pijn in het linker jukbeen en af en toe lichte hoofdpijn in het voorhoofd, de gehele ochtend.
HOOFD, INWENDIG [3]
Hevige hoofdpijn in het voorhoofd, met dufheid van het gehele hoofd in de voormiddag, met stijfheid en beursheid van de linkerzijde van de nek, erger bij het bewegen van het hoofd.
Pijn in de rechter slaap, verscheidene malen.
Hoofdpijn over het hele hoofd, 11.30 uur 's morgens.
Onaangenaam gevoel in het hoofd, als bij een zware verkoudheid; derde dag. --B.
Werd 's morgens wakker met hevige hoofdpijn, die de hele dag aanhield; dof, zwaar, met druk van binnen naar buiten, erger door beweging, bukken of studeren; 24e dag. --B.
HOOFD, UITWENDIG [4]
Het hoofd scheen enorm groot en zwaar, met pijn. --B.
Hoofd bedekt met een ontstoken schilferende eruptie. θ Psoriasis bij een kind.
GEZICHT EN OGEN [5]
Zwakte van de ogen, met brandende pijn; een gevoel alsof tranenvloed zou optreden; binnen twee uur. --B.
Schrijnend gevoel rond de ogen; afscheiding uit de klieren van Meibomius. θ Neuscatarrh.
GEHOOR EN OREN [6]
Een buitengewoon stekende pijn in het voorhoofd en in beide oren, vooral het linker, tijdens het rijden in een felle koude wind, om 1 uur 's middags; na drie uur.
REUK EN NEUS [7]
Neus geheel droog; 4e dag. --B
Veelvuldig niezen. θ Phthisis.
Ernstige neuscatarrh met catarraal karakter; stekende irritatie rond neus en ogen, en een prikkelende, waterige afscheiding.
Chronische neuscatarrh.
BOVENSTE GELAATSHELFT [8]
Vale gelaatskleur. θ Phthisis.
Scherp ingevallen, doods gelaat, met een purperen, livide huidskleur. θ Cholera infantum.
TANDEN EN TANDVLEES [10]
Intermitterende pijn in de eerste rechter bovenmolaar. --Bl.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Tong licht beslagen. θ Phthisis.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Vergroting en ontsteking van de amandelen en van het achterste deel van de huig. θ Neuscatarrh.
Is nuttig gebleken bij difterie.
APPETIJT, DORST. VERLANGEN, AFKEER [14]
Geen eetlust, at de hele dag niets; 3e dag. --B.
Grote dorst.
Hevige dorst, met onbedwingbaar verlangen naar koud water, dat bijna onmiddellijk wordt uitgebraakt. θ Cholera infantum.
HIK, OPRISPINGEN, MISSELIJKHEID EN BRAKEN [16]
Hevige misselijkheid en braken. θ Cholera infantum.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Aanmerkelijke pijn in de maag, in de namiddag, met oprispen van wind en een vettige vloeistof zoals na het eten van varkensvlees; 3e dag. --B.
Pijn en zuurbranden werden ondraaglijk. --B.
Pijnen in de maag < bij het opstaan na zitten; 3e dag. --B.
Subacute gastritis.
HYPOCHONDRIEËN [18]
Milt vergroot, vult ongeveer een vierde van de buikholte; sinds twee jaar, na intermitterende koorts en kinine. --Kitchen.
BUIK EN LENDENEN [19]
Hevige snijdende pijnen in de buik alsof hij stoelgang moest hebben; hij had geen ontlasting, maar er ontsnapten grote hoeveelheden wind; deze pijnen worden gedeeltelijk verlicht door het ontsnappen van flatus en door warmte op de buik aan te brengen; na 8 1/2 uur.
Scherpe, snijdende pijn in de buik die hem waarschuwde dat hij stoelgang moest hebben; de pijnen werden ondraaglijk, grepen de hele buik aan en dwongen hem zich bijna dubbel te buigen; na veel persen had hij een grote, zachte ontlasting die enige verlichting gaf, om 9 uur 's avonds; na elf uur.
De buik is hard en door gas opgezet, dat voortdurend wordt afgevoerd.
Tabes mesenterica.
STOELGANG EN ENDELDARM [20]
Het ontsnappen van flatus verlicht; pijnen in de buik.
Buikpijn beter na de stoelgang.
Ontlasting 's avonds zacht en brijig, met aanmerkelijk persen, zeer donker, bijna zwart; 2e dag. --B.
Bij het opstaan in de morgen grote aandrang tot stoelgang, maar de ontlasting was schaars, weinig van omvang, alsof de anus vernauwd was; ontlasting brijig, af en toe scybala, klein van stuk, eigenaardig zwart, gepaard gaand met persen als bij dysenterie; 3e dag. --B.
Helemaal geen diarree 's nachts, maar de aandrang begon zodra hij zich 's morgens begon te bewegen.
Diarree bij dysenterie.
Bijna voortdurende waterige ontlastingen, met hevige misselijkheid en braken.
Bijna voortdurende overvloedige waterige diarree. θ Cholera infantum.
Cholera infantum, zelfs in articulo mortis.
Voortdurende zeurende pijn in de anus, met schijnbare onmogelijkheid de sfincter gesloten te houden; gaat over in werkelijk dysenterisch persen bij de stoelgang; 3e dag. --B.
URINEWEGEN [21]
Aandoeningen van de urogenitale organen, vooral bij vrouwen, met scrofuleuze aanleg.
MANNELIJKE GESLACHTSORGANEN [22]
Secundaire syfilis.
VROUWELIJKE GESLACHTSORGANEN [23]
Menstruatie regelmatig. θ Phthisis.
ZWANGERSCHAP. BARING. LACTATIE [24]
Knobbel in de mamma, met ingetrokken tepels, tumor gevoelig voor aanraking en pijnlijk.
STEM EN STROTTEHOOFD. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Algemene piepende ademhaling bij het eerst gaan liggen. θ Phthisis.
Na zich 's morgens korte tijd te hebben bewogen schraapte hij hoeveelheden dik slijm op, vermengd met gestold bloed; het scheen uit het hoofd te komen en verlichtte de pijn zeer veel; 4e dag. --B.
ADEMHALING [26]
Ademhaling te snel, zelfs in rust, in snelheid toenemend bij inspanning en weldra overgaand in hoorbaar piepen. θ Phthisis.
Algemeen zwakke ademhaling. θ Hemorragische phthisis.
Af en toe astmatische aanvallen. θ Phthisis.
Astmatische gewaarwordingen 's nachts, moet rechtop zitten om te ademen. θ Phthisis.
Geforceerde inspiratie wekte crepitatie op, achteraan in de rechterlong. θ Phthisis.
HOEST [27]
Veelvuldige, korte, onderdrukte hoest, vaak los, met mucopurulente expectoratie. θ Phthisis.
Slichte kriebelhoest met verstopping van de neusgaten. --B.
Veelvuldige hoest, met mucopurulente en af en toe draadtrekkende expectoratie; < bij inspanning en 's nachts. θ Phthisis.
Hevige hoest gedurende jaren, met onvermogen sputum op te brengen; zij wekt braken op. --Pehrson.
Expectoratie overvloedig gedurende nacht en ochtend.
Hoest en expectoratie. θ Hemorragische phthisis.
Ademgeruis ruw en schokkerig in de linker top. θ Phthisis.
Reutels en crepitatie vóór en na de menstruatie. θ Phthisis.
BORST, INWENDIG, EN LONGEN [28]
Longen bleek, tamelijk slap. θ Hemorragische phthisis.
Zwak ademgeruis, met veel droge reutels over het anterieure oppervlak van de rechterlong en het bovenste deel van het posterieure oppervlak. θ Phthisis.
Doffe plek onder de linker clavicula en grove crepitatie. θ Hemorragische phthisis.
Afplatting en verminderde beweeglijkheid onder de linker clavicula, met dofheid bij percussie; grove crepitatie op dezelfde plaats, terwijl elders droge ronchi en verlengde expiratie werden waargenomen. θ Phthisis.
Linker borsthelft afgeplat en onbeweeglijk, en percussie zo dof als een plank van de top tot onder de axillaire rand van de m. pectoralis major vooraan en tot het midden van het schouderblad achteraan. θ Phthisis.
Onder de rand van de m. pectoralis major en verder achterom naar de rugzijde van de long: dofheid en grove crepitatie. θ Hemorragische phthisis.
Crepitatie en bronchiaal geruis in de rechter suprascapulaire streek; na weken Sulphur toename van de dofheid in de infraclaviculaire streek; heviger en zich uitbreidend. θ Phthisis.
Onbeweeglijkheid van de rechter borsthelft, met dofheid vóór en achter over het bovenste deel van de long, toenemend tot absolute dofheid achteraan onder het schouderblad. θ Phthisis.
Grove crepitaties, achteraan ongeveer ter hoogte van het midden van de long; aan de basis bronchiale ademhaling. θ Phthisis.
Uitgesproken dofheid aan de rechter basis achteraan, overgaand in normale resonantie ter hoogte van het midden van het schouderblad; grove crepitatie hoorbaar over het gehele doffere deel van de long. θ Phthisis.
HART, POLS EN CIRCULATIE [29]
Pols zwak, 84 tot 92. θ Phthisis.
Pols hard, gedaald van ongeveer 80 tot 64, vrouw æt. 40. θ Phthisis.
Pols zeer frequent. θ Tumor in de mamma.
HALS EN RUG [31]
Beursheid van de rug, vooral van de nek, alsof hij was afgetuigd.
Brandende hitte in de lendenstreek, alsof de kleren in brand stonden. --Blakely.
BOVENSTE LEDEMATEN [32]
Jeuk op de rug van de linkerhand, gevolgd door stekende jeuk op de rug van de rechterhand; na 2 1/4 uur.
ONDERSTE LEDEMATEN [33]
Eigenaardige rillerigheid van de linkerdij, vooral beginnend aan de achterzijde, gevolgd door mierenkruipen en zwaarte in de linkervoet, dit laatste later opstijgend langs het linkerbeen, daarna naar de rechtervoet; gedeeltelijk > door lopen; kleren voelden koud aan wanneer zij het lidmaat raakten; de rillerigheid verdween door toepassing van warmte. --Bl.
Koude ledematen.
Doffe, zware beursheid van de kuit van het linkerbeen, 11 uur 's morgens; na één uur.
Moe, vermoeid gevoel in de kuiten van beide benen tijdens het knielen. --Bl.
Een zeer hevige mankmakende pijn in de kuit van het linkerbeen, later het gehele been omvattend, verdwijnend tijdens actieve beweging, terugkerend in rust.
Tintelend prikken aan de uiterste linker enkel, gevolgd door hetzelfde aan de binnenzijde van de rechter enkel. --Bl.
Onaangenaam, licht pijnlijk mierenkruipen aan de buitenrand van de linkervoet, gevolgd door brandende pijn op de linker wreef. --Bl.
LEDEMATEN IN HET ALGEMEEN [34]
Stekende pijn in het bovenste derde van de rechter humerus tijdens het schrijven, tien minuten aanhoudend, plotseling verschuivend naar de metacarpale beenderen en daar enige tijd blijvend, daarna gevoeld in het linker femur; reumatisch, alsof zij in de schacht van het bot zat. --B.
Zwaar gevoel in de ledematen met vermoeidheid van het gehele lichaam.
Koude ledematen.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Rust: pijn in het been <.
Liggen: piepen.
Beweging: hoofdpijn <; pijn in het been >; opschrapen van dik slijm.
Inspanning: hoest <; dyspneu.
Lopen: veroorzaakt spoedig vermoeidheid.
Bukken: hoofdpijn <.
Knielen: moe gevoel in de kuiten.
Opstaan na zitten: pijnen in de maag.
Stijgen: dyspneu.
Moet zich dubbel buigen: bij pijn in de buik.
Moet rechtop zitten: moeilijke ademhaling bij phthisis pulmonalis.
ZENUWEN [36]
Grote vitale uitputting.
Verlamming.
SLAAP [37]
Voortdurend geeuwen; hij wordt veel eerder slaperig dan gewoonlijk.
Pijn in het hoofd die de slaap verhindert; 4e dag. --B.
Nacht rusteloos, sliep weinig; 3e dag. --B.
TIJD [38]
Morgen: dufheid en pijn in het hoofd; ontlasting bij het opstaan; expectoratie overvloedig; gevoel alsof hij verkouden was geworden.
Om 11 uur 's morgens: beursheid van het linkerbeen.
Om 1 uur 's middags: pijn in voorhoofd en oren.
Namiddagen: pijn in de maag.
Avond: zachte, brijige ontlasting.
Om 9 uur 's avonds: ontlasting met verlichting.
Nacht: astmatische klachten; hoest <; expectoratie overvloedig; rusteloos; zweet.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
Warmte: op de buik toegepast > pijnen; rillerigheid van de linkerdij >.
Felle, koude wind: pijn in voorhoofd en oren.
Niet in staat in enig weer lichaamsbeweging te nemen. θ Hemorragische phthisis.
Verlangen naar koud water.
KOORTS [40]
Enige koorts, pols 80, sterk; 3e dag. --B.
Lichte nachtelijke transpiraties. θ Phthisis.
LOKALISATIE EN RICHTING [42]
Rechts: pijn in de slaap; pijn in het oor; pijn in de bovenmolaar; droge reutels over de long; pijn in de humerus.
Links: doffe pijn in het jukbeen; zijde van de nek beurs; pijn in het oor; top van de long aangedaan; achterzijde van de dij rillerig; zwaarte in de voet; kuit van het been beurs.
Van links naar rechts: jeuk op de handen; mierenkruipen en pijn in de benen.
Rechtsboven, linksonder: pijn in de ledematen.
Van binnen naar buiten: druk in het hoofd.
GEWAARWORDINGEN [43]
Alsof het hoofd enorm groot was; alsof tranenvloed zou optreden; alsof hij stoelgang moest hebben; branden in de rug alsof de kleren in brand stonden; alsof hij verkouden was geworden.
Snijdend: in de buik.
Stekende pijn: in het voorhoofd; in beide oren; in het bovenste deel van de rechter humerus; in de metacarpale beenderen; in het linker femur.
Brandend: van de ogen; in de lendenstreek.
Schrijnend: rond de ogen.
Beursheid: linkerzijde van de nek.
Beursheid: van rug en nek; alsof geslagen; van de kuit van het linkerbeen.
Zeurende pijn: in de anus.
Doffe pijn: in het linker jukbeen.
Reumatische pijn: in de humerus en het linker femur.
Mankmakende pijn: in de kuit van het linkerbeen.
Intermitterende pijn: in de eerste rechter bovenmolaar.
Ongedefinieerde pijn: in de rechter slaap; in de maag; in het hoofd, de slaap verhinderend; in de buik.
Tintelend prikken: aan de linker enkel en aan de binnenzijde van de rechter enkel.
Mierenkruipen: op de linkervoet en de wreef.
Irritatie: rond neus en ogen.
Jeuk: op de rug van de linkerhand, en stekende jeuk op de rug van de rechter; op verschillende lichaamsdelen, vooral op de rug.
Zwaarte: van de ledematen.
Moe, vermoeid gevoel: in de kuiten van de benen.
Stijfheid: linkerzijde van de nek.
WEEFSELS [44]
Ziekelijke cellulaire irritatie in de longen.
Snelle vermagering.
Grote vermagering en prostratie. θ Cholera infantum.
Aanmerkelijke vermagering en verschrompelde mamma. θ Tumor in de mamma.
Aanraking: tumor in de mamma pijnlijk.
AANRAKING. PASSIEVE BEWEGING. VERWONDINGEN [45]
Rijden: pijn in voorhoofd en oren.
HUID [46]
Aanhoudende jeuk op verschillende lichaamsdelen, vooral op de rug. --Bl.
Chronische huidaandoeningen.
Psoriasis, de ontstoken en schilferende eruptie bedekte het kind bijna geheel.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Goed gevoede man, æt. 25, na hæmoptyse. θ Phthisis.
Scrofuleuze of psorische diathese in samenhang met arsenicumsymptomen.
Psoriasis bij een kind, æt. 4 maanden.
Vrouw, æt. 40; pols daalde van ongeveer 80 tot 64. θ Phthisis.
RELATIES [48]
Bryon. > pijn en zuurbranden.
Nuttig na Sulphur bij phthisis pulmonalis.
Nuttig na Conium bij gevoelige knobbel in de mamma.